Doorzoek volledige site
13 september 2017 | FILIP CANFYN

Recensie (Filip Canfyn): United colors of beton. Stedelijke ruimte als ethische vraagstelling

Ik heb de onhebbelijke gewoonte om in de boeken, die ik lees, nota’s te maken en vooral mijn textmarker te gebruiken. In dit boek van Herman Siebens heb ik op de eerste vijftig bladzijden zo vaak gestreept dat er meer geel dan wit achterbleef terwijl ik in de laatste honderdvijftig bladzijden verloren gelopen ben als een klein kind in het Zoniënwoud.

Na een uiterst boeiende les over de weg naar en het wezen van de huidige stedenbouw verliest de erudiete auteur (doctor onderwijswetenschappen, master bedrijfsethiek en godsdienstwetenschappen) zichzelf en vooral de lezer in veel te veel onsamenhangende topics en in een ander denkkader, dat zich niet toegankelijk maakt voor mij. Ook mijn schuld natuurlijk. Ik kan ethiek best volgen en smaken zolang het een analytische, wetenschappelijke insteek heeft maar ik haak af zodra een evaluatief, moraliserend trekje opduikt. Dan word ik een lijdend voorwerp.

Tot hier de feitelijke recensie van dit boek met toch een toffe titel, die ontleend werd aan een graffito uit de jaren negentig van vorige eeuw, op een muur in de Brusselse Marollen. Wat hieronder volgt is mijn eigen interpretatie van de eerste vijftig bladzijden, die ik zéér relevant en interessant vond. Voor de diehards.

Na een lange geschiedenis van spontane, geleidelijke tot zelfs chaotische stedenbouw formuleert de moderne stedenbouw, met als verre voorloper prefect Haussmann in Parijs medio negentiende eeuw, antwoorden op de dringende vraag naar orde en stabiliteit, naar homogeniteit en helderheid in stad en maatschappij. Architecten en stedenbouwkundigen eisen meer en meer de hoofdrollen op en propageren een uniforme, bijna universele organisatie van het stedelijk leven. De stad wordt grijs, op enkele per se bewaarde oude gebouwen na. Die worden plekken van emotie (dé Grote Markt, dé kathedraal, hét begijnhof, …) in afgeschermde stadszones intra muros. De moderne stedenbouw houdt zich niet bezig met en ontkent daarom impliciet stedelijke samenlevingsproblemen rond ongelijkheid en diversiteit. Deze problemen, ooit de oorzaken voor die vraag naar orde en stabiliteit, worden tevens de gevolgen in overtreffende trap van die eerder technocratische moderne stedenbouw, die op die manier failliet gaat. Een erfenis van speculatie, verkrotting, verarming, stadsvlucht, gentrificatie, … staat in schril contrast met de exclusieve nieuwbouw en de selectieve transformatie van het oude stadscentrum tot een mercantiele hotspot.

Vanaf het einde van vorige eeuw kan gesproken worden van de postmoderne stedenbouw. Filosofisch drukt deze postmoderniteit zich graag uit in een ontkenning van de maakbaarheid en stuurbaarheid van de samenleving, in een promotie van verandering tot nieuwe norm, in een tijdsgeestgebonden onzekerheid. Binnen die context neemt de economie het echter snel en kordaat over van de filosofie. Stedenbouw wordt het instrument om de stad om te vormen tot een ruimte, waarin individuele burgers hun individuele behoeften kunnen realiseren. Ook dit globaal doel wordt scherper gesteld: de stad wordt verdicht tot feeststad, pretstad, toeristenstad, belevingsstad, tot podium voor het consumisme, van het individueel recht op alle mogelijke opties, van de ultieme vrijheid tot ‘shoppen’ in de brede betekenis van het woord.

Postmoderne stedenbouw wordt aldus neoliberale stedenbouw, met uiteraard belangrijke gevolgen voor het stedelijk weefsel en functioneren. De PPS-procedure overheerst als redmiddel voor een overheid die niet meer wil investeren in de stad; de collectieve ruimte wordt geprivatiseerd en vermarkt tot consumptieruimte; de stad wordt prioritair bekeken als verdienmodel en meerwaardelocus; woon- en leefprijzen stijgen significant zodat zelfs de middenklasse het moeilijk krijgt om te blijven; veiligheid en controle krijgen een uitzonderlijke nadruk; de interne ongelijkheid groeit; de stad als toneel voor entertainment wordt de krachtige motor van het stedelijke beleid.

In de postmoderne stedenbouw, die eigenlijk meer en meer begint te lijken op de moderne stedenbouw, nemen de ontwikkelaars en financiers de hoofdrollen over van architecten en stedenbouwkundigen. Die laatsten helpen maar al te graag om de neoliberale fundering een attractieve voorgevel te geven. De overheid zet een stap achteruit, zowel beleidsmatig als financieel, ten voordele van het particulier initiatief, dat overtuigd is dat het realiseren van eigenbelangen automatisch leidt tot het realiseren van het algemeen belang. Wat de overheid wel nog presteert is de postmoderne stedenbouw onderdeel van de stadsmarketing te maken (vroeger lag de hiërarchie omgekeerd). Spektakelarchitectuur wordt gepromoot als dé stedelijke oplossing, quod non, want het positief effect is in elk geval maar tijdelijk terwijl het negatief effect, het verdringen van problemen en bevolkingsgroepen, langer en dieper meegaat.

Het mag duidelijk zijn dat voor de postmoderne stedenbouw stadsbewoners of aansluiting bij bestaande buurten eigenlijk geen issue vormen. Het accent ligt op de economische return. Punt.

Krijgt men de stad, die men verdient? De postmoderne stedenbouw is alleszins een kind van haar tijd. De tijd, waarin behoeften belangen worden, het algemeen belang verdunt, het empathisch vermogen erodeert, de sociale cohesie afkalft, de solidaire reflex vervaagt. De tijd, waarin het ideaalbeeld ‘samenleving’ richting het conflictmodel ‘tegenleving’ opschuift om voorlopig, binnen deze ruime bandbreedte, voor de veiligere synthese ‘naastleving’ te opteren.

Vandaag kan men alleen maar vaststellen dat het individualisme in een winning mood zit, dat het engagement pro individuele belangen blijft toenemen en de bereidheid pro algemeen belang blijft afnemen, tenzij op die manier de winstkans voor een individueel belang verhoogt. De politieke vertaling en bescherming van deze individualisering ligt in het beschouwen, zelfs in het propageren van een individueel belang als collectief, dus algemeen belang. Het beleid heeft schrik van de diverse verschijningsvormen van collectief egoïsme (zodra twee burgers hetzelfde individueel belang hebben, menen ze een collectief belang te hebben), zeker als het over de stad en de niet-stad gaat. Dat verklaart het protectionisme pro verkavelingsvlaanderen, zodat de niet-stad het consensusgebied door en voor de middenklasse mag blijven en de stad meer en meer het conflictgebied zonder en zeker niet voor de middenklasse wordt. Of zoals Pascal De Decker het zegt, zodat in de niet-stad de monocultuur behouden wordt en in de stad de multicultuur weggestopt wordt.

Al even karakteristiek voor deze postmoderne neoliberale grontoon is het NIMBY-fenomeen, dat handig speelt met individualiteit en collectiviteit. De NIMBY-burger is zonder meer vragende partij voor een oplossing van een probleem maar wenst vooral zijn individueel belang te verdedigen, wil geen inspanning leveren in functie van die oplossing en eist zelfs van de overheid, niet onmiddellijk de meest natuurlijke partner van de individualistische burger, een àndere oplossing. Die overheid vervalt dan meestal in een tolerantie voor deze vorm van collectief egoïsme.

De postmoderne burger is soms ook een gevaar voor de postmoderne stedenbouw. Hij oordeelt snel, engageert zich ostentatief voor leefbaar- en duurzaamheid maar stelt in de feiten zijn eigenbelang prioritair en beschikt daarom niet (meer) over een brede, laat staan empathische kijk. De vraag kan ook gesteld worden of dat vermeend engagement voor (collectieve) leefbaar- en duurzaamheid nog wel voldoende is om dat (individueel) oordeel van de postmoderne burger ernstig te nemen of zelfs gelijk te geven.

 

---

 

Herman Siebens 
United colors of beton. Stedelijke ruimte als ethische vraagstelling

  • ISBN: 9789044133745
  • Aantal Pagina's: 196
  • Status: Verschenen - bestelbaar - leverbaar
  • Prijs: € 24.90
  • Uitgever : Garant Uitgevers nv

GERELATEERDE DOSSIERS