Doorzoek volledige site
20 december 2017 | FILIP CANFYN

[LONGREAD] Eindejaarsbijdrage Filip Canfyn: Dubbel zinnig

Illustratie | Pexels

In het voorjaar van 2017 modereerde Filip Canfyn op vraag van Archipel een vraaggesprek tussen bOb Van Reeth en Leo Van Broeck over de impact van een visie. Als eindejaarsgeschenk schotelt hij jullie een boeiende samenvatting voor van het gesprek.

Dit is het relaas van een gesprek met twee grote meneren, met twee heren van stand, die letterlijk voor zichzelf spreken. Mannen met plannen, mannen met visie en met een visitekaartje: de eerste Vlaams Bouwmeester en de voorlopig laatste Vlaams Bouwmeester, bOb I en leO IV. bOb Van Reeth had het voordeel maar ook het nadeel een pionier te kunnen zijn, leO Van Broeck heeft het voordeel maar ook het nadeel een in vraag gestelde functie met beide handen te moeten vastpakken. Tussen beide architecten slash stedenbouwkundigen bestaat slechts een tijdsverschil want het leeftijdsverschil is alleen relevant voor intimi.

Het moest een gesprek worden over visie, over de impact van een visie, over de impact van hùn visie. De visie van Bouwmeesters. Een gesprek aan de hand van een spel. Een spel met citaten. In deze wereld van quotes en formats kunnen Bouwmeesters niet achterblijven. De citaten komen van bOb of leO en heel uitzonderlijk ook van een mOl. Een ongenode gast, die toch welkom blijkt. Om dat uit te leggen is een stukje geschiedenisles nodig, over de laatste vijftig jaren, waarin drie generaties getrokken hebben aan de kar van stad, ruimte en wonen.

De generatie van de jaren 70, die de restauratieve fase kan genoemd worden, had meer dan een dagtaak aan het redden van de stad als habitat, als biotoop, als menselijke nederzetting, die niet zoals de Noordwijk met de grond gelijk ging. De stad moest vechten tegen verloedering en kaalslag. En wat huisvesting betrof was er maar één doel: het wooncomfort moest overal, binnen en buiten de stad, verhoogd worden.

De generatie van de jaren 90, die de defensieve fase mag genoemd worden, moest de stad verdedigen als samenleving, als collectief model, als maatschappelijke kern. Zwarte Zondagen en andere onheilsvirussen veroordeelden de stad als poel des verderfs. Verderf was toen al synoniem voor diversiteit en koene ridders moesten het tij helpen keren. En huisvesting? Toen al werd de uitsmering, de verspreiding, de verlinting van het wonen ontraden, door wat roepers in de woestijn, de woestijn, die naast verkavelingsvlaanderen lag.

De generatie van nu, die de decisieve fase moet genoemd worden, krijgt willens nillens twee missies. Eén, de stad moet zichzelf binnen een dubbelrol profileren en zichzelf vanuit die dubbelrol propageren: de stad is biotoop én samenleving, bewoond én beleefd. De stad moet dan ook inclusief worden: voor, door en met iedereen. Twee, het ruimtegebruik moet omgekeerd worden. Het pappen en nathouden moet over zijn, niet alleen de beton moet stoppen maar ook elke sluikse truuk van de foor om vierkante meters en dubbele auto’s in stand te houden.

Drie generaties dus.

leO wordt benoemd tot woordvoerder van de laatste generatie, de decisieve generatie, de generatie, die eigenlijk geen tijd meer te verliezen heeft.

bOb wordt benoemd tot porte parole van de tweede generatie, de defensieve generatie, de generatie, die al puin moest ruimen en de boel moest bijeen houden.

Onze mOl fungeert als aanspreekpunt van de eerste generatie, de restauratieve generatie, de generatie van de baanbrekers van wat toen nog stadskernvernieuwing en milieubescherming heette. Onze mOl heet Jan Tanghe, architect en stedenbouwkundige, professor en praktijkman, exact vijfenveertig jaar geleden penhouder en bezieler van het eerste structuurplan in Vlaanderen, bijna veertig jaar geleden auteur van het iconische boek ‘Wonen of wijken?’, dat hij samen met Sieg Vlaeminck en Hugo Vanderstadt schreef.

Lottrekking heeft bepaald welk citaat wanneer tijdens het dubbelgesprek op tafel geworpen werd, over welke visie diepgaand en vooral goed geformuleerd geconverseerd werd.

 

We moeten van de vele Vlaamse overheidsinstanties goede bouwheren maken. (bOb)

 

(bOb)

Die herinner ik me zeker. Als Bouwmeester heb ik het altijd meer over de bouwheren gehad dan over de andere bouw- en denkfuncties. Architectuur is niet van de architect, architectuur is in eerste instantie van de bouwheer. Daarom moet een Bouwmeester geen architectuur opleggen maar die bouwheer confronteren met de verschillende manieren van zoeken van architecten en die bouwheer daar laten uithalen wat hij zelf als cultuur wil. Daarom heb ik zo gehamerd op de projectdefinitie. Je moet de bouwheer verplichten om niet alleen een programma van eisen te maken maar ook om zijn culturele ambitie eens op papier te zetten of om dat te vragen aan kunstenaars. In de jaren dertig, in Zweden, werd een prijsvraag voor een begraafplaats gewonnen door een projectdefinitie van de enige Belg met een Nobelprijs literatuur: Maeterlinck. Hij vertelde wat de betekenis, de bestaanswil van dat project moest zijn, zodat die architecten wisten waar ze aan werkten.

(leO)

Goede bouwheren veroorzaken via een voorbeeldfunctie navolging. Slechte bouwheren zijn niet noodzakelijk slecht maar misschien gewoon bang vanuit een gebrek aan kennis. Naast goede bouwheren hebben ook goede processen een voorbeeldfunctie en kunnen ze angst wegnemen. En als Bouwmeester een bouwheer goed maken betekent eigenlijk dat hij de goede attitude opzuigt en overneemt, zodat hij veel zelf kan. Dan heeft een Bouwmeester achteraf in de nazorg ook minder miserie.

(bOb)

Als Bouwmeester heb ik weinig te maken gehad met de gebouwen van de Vlaamse overheid, wat eigenlijk het opzet was, maar uiteindelijk zijn de gemeenten naar ons gekomen met de vraag hen te helpen een wedstrijd te organiseren, wat ons zeer zichtbaar maakte. Die gemeenten kregen ook telkens verschillende goede ontwerpers, zodat zij zich niet konden vergissen en zodat zij konden kiezen wat zij aanvoelden als dicht bij hen. De Bouwmeester koos niemand, hij selecteerde tien ontwerpers, waaruit er vijf gekozen werden met de bouwheer.

 

Als bouwmeester moet je je niet willen profileren als de man, die het beter weet en kan. (bOb)

 

(bOb)

Weeral van mij, dit citaat. Betweterij moet je zeker niet willen. Als Bouwmeester moet je vooral weten wat leeft. Architectuur is niet wat het is maar heeft te maken met zoeken. Je hebt als Bouwmeester wel een mentale en morele achterban nodig om überhaupt aanvaard te worden en niet in eigen kring verscheurd te worden. Het is tevens heel belangrijk hoe je je gedraagt. Het respect voor het werk, dat je zelf maakt, is één maar het respect voor de wijze, waarop je omgaat met opdrachtgevers, is twee.

(leO)

Eén van de grootste maatschappelijke misverstanden is dat architectuur en stedenbouw esthetische disciplines zijn. Ze zijn weliswaar esthetisch niet compleet onbelangrijk maar Buckminster Fuller zei terecht: “Als ik aan een ontwerp begin neem ik mij nooit voor iets moois te maken maar het is alleen op het einde, wanneer het lelijk is, dat ik weet dat ik iets verkeerd gedaan heb.” Met deze boutade wordt esthetiek één van de vele componenten maar niet de dominante.

 

Het platteland is voor koeien. We moeten van het platteland afblijven. Koeien is het maximale, dat we daar kunnen houden. (bOb)

 

(leO)

Dit is een citaat van bOb, dat ik bijna letterlijk heb overgenomen en waar ik hem nog altijd heel dankbaar voor ben. Het werd toén al gezegd en vandaag is nog niet veel veranderd. bOb zag de bui hangen, ik hoop dat ik de opklaring zie, een begin van naast een draagvlak voor verandering.

 

Het klimaatdebat gaat voorbij aan de essentie want als we niet opletten bouwen we straks de hele planeet vol met onze ultraduurzame en CO2-neutrale projecten. (leO)

 

(leO)

Eén van mij … Het pijnpunt van ons beroep zijn de grote stedenbouwkundige keuzes. Wat bouw je? Waar bouw je? Toch heb ik vaak de indruk dat architecten zich wegsteken achter Batibouw, rotswol en vorming over normen om toch maar niet met dat pijnpunt van de architectuur en de ruimtelijke ordening geconfronteerd te worden.

(bOb)

Brunelleschi heeft ooit gezegd: “De architecten, die vinden dat ze niet voor de eeuwigheid moeten bouwen, moeten dood geschoten worden”. Ik denk dat we altijd voor de lange duur moeten werken. Indien architecten aan elkaar zouden beloven geen viergevelwoningen meer in verkavelingsvlaanderen te bouwen zal dat niet werken want ik denk niet dat iedereen meedoet.

(leO)

Als je weet hoe nefast de gevolgen van dat verkavelingsmodel zijn en als je weet dat de deontologie van de architect zegt dat je het hoger maatschappelijk belang moet dienen, dan zijn architecten, die vandaag nog bereid zijn vrijstaande woningen te bouwen op autolocaties in lage dichtheid, eigenlijk chirurgen, die zeggen dat 80 % van hun patiënten kreupel van de operatietafel vallen maar dat het mag van stedenbouw. Dat soort van incongruenties kan je als praktijkmens niet meer maken met de kennis, die er vandaag is, met de gevolgen, die men vandaag kent. Het debacle is zo groot terwijl het er op lijkt dat we broodjes met ebolasaus blijven verkopen. Je kan dat niet meer doen, vind ik. Duurzaamheid gaat in eerste instantie over de stedenbouwkundige footprint, die we hebben, die er is en die we niet meer mogen uitbreiden. Er moet nog verdicht worden maar dat roepen we al dertig jaar. Het gaat finaal over de vraag hoeveel planeet er nog aan gaat voor een nieuwe bouwwens. Dat doet me denken aan een citaat van Mark Twain: “The problem with land is that they stopped making it a while ago.” Dat besef is dus oud.

 

De opsplitsing van architectuur en stedenbouw is een versnippering van de werkelijke problematiek van ons wonen. Er is enkel een schaalverschil. (bOb)

 

(bOb)

Mijn citaat maar ik denk dat het van iedereen kan zijn.

(leO)

De fusie tussen architectuur en stedenbouw is nog sterker geworden.  Ik zeg wel eens dat op een te klein geworden, overbevolkte planeet architectuur per definitie stedenbouw moet zijn. En die stedenbouw verandert in de vraag hoe we de ruimtelijke aanwezigheid van de menselijke soort op aarde organiseren. Ontwerpen is al zeker geen esthetische discipline meer maar wordt bijna een survivalvraagstuk.

(bOb)

Architectuur en stedenbouw zijn niet altijd ontwerpen. Regelgeving is ook stedenbouw, is ook architectuur. Architecten moeten in ieder geval niet vrij zijn.  Het is de bouwheer, die de onvrijheden bepaalt van de architect. Vanuit die onvrijheden weet je wat je allemaal niét moet doen zodat er alleen nog overschiet wat je allemaal wél kan doen.

(leO)

De architect heeft spelregels nodig maar hij mag ook die regels in vraag stellen. Creativiteit hoort dat te doen. Ik wil dat men in twee gevallen met een ontwerp buiten de regels mag gaan: als er een algemene consensus bestaat dat het een wenselijk ontwerp is of als het ontwerp buiten die regels de initiële doelstellingen van die regels minstens evenwaardig of beter bereikt. In beide gevallen moeten een kwaliteitskamer, een Bouwmeester of een andere filter het project groen licht geven, wat bevestigd moet worden door een onafhankelijke externe second opinion. Zo’n omgang met regels lijkt me leuk omdat regels zo decennia lang bruikbaar blijven. De doelstellingen gaan voor op de regels zelf en creativiteit krijgt een kans als ze doelmatiger blijkt.  Ik denk dat dit een werkbare methode kan zijn omdat een kader blijft bestaan. Vrijheid van te gekke onbetaalbare krullen, waar het altijd binnen regent, blijft dan loos . 

Peter Cabus, van Ruimte Vlaanderen, zegt ondertussen dat het aantal lagen van de lasagne te dik wordt: gewestplannen, ruimtelijke structuurplannen, RUP’s, verkavelingsvoorschriften en binnenkort wordt het Witboek Ruimte Vlaanderen ook een planningsinstrument. Hij noemt zo’n dikke lasagne een Walibipretpark voor advocaten.  Daar vindt geen kat nog haar jongen in terug. Hij stelt voor om daar onderaan toch een aantal lagen uit te halen. 

 

We hebben een trieste reeks Europese records. Ten eerste, het grootste aantal uren file per werknemer. Ten tweede, het grootste aantal kilometer wegenis en infrastructuur per wooneenheid. Ten derde, het bijna grootste energieverbruik voor mobiliteit en versnipperde vrijstaande bebouwing per eenheid van Bruto Nationaal Product. En we rijden in Vlaanderen per jaar 4 miljoen dieren dood. (leO)

 

(leO)

Mijn citaat … Het is erg dat je met de bevolking van Londen, met elf miljoen mensen, zo’n ravage aan kan richten. Een migrerend landdier loopt in Vlaanderen om de driehonderd meter over een weg. We rijden daarom allemaal gemiddeld één dier dood. Toch zijn die cijfers op zich niet zo belangrijk, wel het bewijs dat ons ruimtelijk model ons zo ver kan drijven en hoe erg het moet worden voordat we beginnen denken dat we misschien niet goed bezig zijn. De mens moet vooral dankzij zijn intelligentie verantwoordelijkheid dragen. Wie zo slim is mag niet knoeien, vind ik. Of moet leren van zijn geknoei, vooruit gaan en sneller vorderingen maken. Het is ontgoochelend dat zo vaak dingen gezegd worden, die terugkomen.  Dan wordt het Bouwmeesterschap eigenlijk een beetje een hopeloze taak. Bouwmeesters moeten binnen de besluitvorming meer de Touringwegenhulp van de ruimtelijke ordening worden. Om voor een stuk de communicatie minder ontoegankelijk en misschien ook minder wetenschappelijk te maken. Einstein zei al dat problemen niet kunnen opgelost worden met dezelfde logica, die de problemen gecreëerd heeft. Charles Vermeersch zei dan weer dat je een beetje gek moet zijn of naïef om te proberen het tij te keren maar ook dat jonge architecten in het leven geen schijn van kans hebben als ze niet de moed hebben om die naïviteit vol te houden.

 

Architectuur kan zich meestal niet gedragen. Architectuur is bijna altijd onbeleefd, bijna altijd pretentieus. (bOb)

 

(leO)

Dit is uiteraard een citaat van bOb maar ik ga nu wel helemaal iets anders zeggen dan wat hij bedoelt. Uiteraard zit er pretentie in het feit dat je pretendeert een oplossing te hebben. Je bent dus niet nederig en je mag de pretentie hebben de vraag in vraag te stellen. Ik denk dat de balorigheid van architectuur een machine is, die je als ontwerper moet gebruiken.  Dat geeft je niet het recht om lokale besturen, burgers, opdrachtgevers gelijk welke onzin in de maag te splitsen. Die balorigheid kan de methode worden om zeker te zijn dat je ook die incongruente gekte niet gemist hebt als potentie om tot originele of juiste oplossingen te komen. Toegegeven, dat soort balorigheid is soms nodig maar soms ook problematisch.

(bOb)

Ik wou met dat citaat gewoon zeggen dat ik van banaliteit hou en een hekel aan exclusiviteit heb. Ik denk dat 90 % van wat we doen eigenlijk het verderzetten van de geschiedenis is en niet het zelf maken van de geschiedenis. Architectuur, die verdwijnt in wat er is. Het grootste compliment, dat je kunt krijgen, is dat je werk er staat alsof het er altijd gestaan heeft.

(leO)  

De landen, waar de kritiek op de pretentie van de architecten het kleinst is, zijn de landen, waar de interventie van de architect niét verplicht is. In Zwitserland worden architecten het best betaald maar zijn ze wettelijk niet verplicht. Dus een klant, die kiest voor een architect, doet dat omdat hij er van overtuigd is dat hij er beter van wordt. Ik denk dat dit een gezondere relatie is, dan bij wet tot noodzakelijk kwaad verklaard worden.

(bOb)

Renaat Braem heeft ooit in een boekje geschreven dat Belgie het lelijkste land van de wereld is. Ik was net afgestudeerd toen ik tegen hem zei: “Meneer Braem, dat is omdat wij moeten bouwen met architecten en wat je vooraan ziet, de voorkant van België, is door architecten gebouwd, maar wat je achteraan ziet bouwen de mensen zelf. Dààr krijg je de poëzie van het verkeerd gebruik en dat is veel boeiender als architectuur dan die voorkanten”.

(leO)

Ik kan niet verdragen dat wat niet goed is per definitie geen architectuur mag genoemd worden, zodat alle architectuur per definitie goed is. Er bestaat ook lelijke architectuur. Architectuur maakt fouten, gaat af en toe serieus op haar gezicht.

 

Huizen moeten naast elkaar staan, zodat mensen bij elkaar zijn. Het zijn straten waar het ene huis bij het andere is gebouwd, zoals mensen eigenlijk bij elkaar horen. (Jan Tanghe)

 

(bOb)

Een citaat van Jan! Eindelijk. Over bouwblokken in de stad en in het dorp. ‘Bouwblok’ wil zeggen ‘omgeven door publieke ruimte’, ‘met een voorkant en een achterkant’ en ‘met een binnenkant’. Ik vind het gewoon verschrikkelijk dat we daar geen aandacht meer voor hebben.

(leO)

Het citaat suggereert ook dat je met rijwoningen aan gemeenschapsvorming kunt doen, dat je de bange blanke verkavelingsbewoner kunt zeggen: “Ga terug in een groep wonen waar je alleen bent wanneer je alleen wilt zijn maar waar je  de mensen, als je ze nodig hebt, niet te ver moet gaan zoeken, inclusief de crèche, de bakker, de winkel en de school.”

(bOb)

Hoewel rijwoningen economisch moeilijk blijven lijkt het toch evident dat, als je woningen aan elkaar gesloten bouwt, dit beterkoop is dan allemaal individuele woningen zetten. Het kan toch niet anders dat, als minder grond gebruikt wordt, ook minder grond moet betaald worden. Als je maar twee gevels hebt, dan moet je er toch geen vier betalen? Er moet ergens iets verkeerd zitten bij de projectontwikkelaars …

 

16.000 ha grondverbruik per jaar (dit is ongeveer de totale oppervlakte van Antwerpen) is immoreel als men weet dat met het opnieuw gebruiken van kavels, panden en zones in de reeds verstedelijkte gebieden het grondverbruik zeer aanzienlijk zou kunnen worden verminderd. (Jan Tanghe)

 

(leO)

Een citaat van Jan? Veertig jaar oud? Dan voel ik mij veilig. Ik ben een weg ingeslagen, die reeds bewandeld is. Als het stil valt wordt het pad een aantal jaar later verder getrokken. Kijk maar naar de betonstop. Ik denk dat een begin van politieke moed ontstaat. Echter, een democratie krijgt de politieke moed, die ze verdient. Als alle mensen liever hun villaatje en hun auto zien dan de natuur, dan zal de politiek niet durven springen. Als je de Belg met structuurplannen en gewestelijke RUP’s en wat weet ik nog dingen oplegt, dan zoekt hij achterdeurtjes. Toch zijn we de derde beste in Europa qua  sorteren en recycleren van huishoudelijk afval omdat je dat met de paplepel op de schoolbanken meekrijgt, omdat je leert je steentje bij te dragen aan een schone propere wereld.

(bOb)

In mijn tijd waren de ministers niet geïnteresseerd, compleet niet geïnteresseerd. Ik moest voorzichtig lopen en met diplomatie dingen gedaan krijgen.

(leO)

Ik ga voor wat de Engelsen ‘evidence based policy’ noemen om dan die evidenties, die dringendheid te agenderen. Er is niemand, die twintig jaar geleden beslist heeft om te werken aan een concept, waarmee het fileprobleem veroorzaakt wordt, België totaal vastrijdt en de natuur verprutst wordt. We zijn hier samen in gesukkeld. De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens. We hebben nu pas door dat de wereld echt op is. Dus agendeer ik hoe erg het is, om er samen en solidair uit te raken. Toch ben ik af en toe geschrokken van wat parlementsleden achter de schermen zeggen, wat zij al weten en wat zij willen. En van wat de minister niet verkocht krijgt. Ik weet zelf één ding heel goed: als ik tegenkanting veroorzaak, haal ik de volgende vijf jaar veel minder resultaten dan wanneer dat ik ietsje lager mik en medewerking krijg. Bijvoorbeeld voor het ondersteunen van plattelandsgemeenten, gezien de problematische gemeentefinanciering. Zeker in de Westhoek en in Limburg krijgen we in de komende decennia, zonder betonstop, al 20% leegstand in de kleinste gehuchten, door de leegloop van jongere generaties, die daar echt niet meer willen wonen. Zolang die gemeentes gefinancierd worden op basis van bewonersaantallen of ambachtelijke zones, die ze allebei niet zullen hebben, en wanneer die gemeenten, soms uit vrije wil, soms willens nillens, open ruimte, zuurstof, landbouw, het eten van de verdichte kernen gaan produceren, dan moeten ze daarvoor betaald worden. We zullen moeten betalen voor open ruimtecreatie. Daar zal ik werk van maken.

 

Een architect breng je niet makkelijk aan het lachen. (bOb)

 

(leO)

Dit laatste citaat is wel van bOb maar ikzelf herinner me nog dat vroeger op fuiven architecten zat moesten zijn voor dat ze de moed hadden om een beetje schamel te beginnen dansen. Ja, er zit een beetje harkerigheid in de architect maar tegelijk denk ik dat zijn balorigheid af en toe ook wel zijn bron van humor kan zijn. Daar zit ook een stukje gekte in, denk ik.

(bOb)

Er is ook de eeuwige architectenmop. Twee architecten komen elkaar tegen. Zegt de ene: “Confrater, hoe maak je het?”. Zegt die andere: “Dat zeg ik niet, want dan maak je het ook.”

GERELATEERDE DOSSIERS

GERELATEERDE ARTIKELS