Doorzoek volledige site
09 oktober 2018 | LIESBETH VERHULST

Stéphane Beel: “Het is onze plicht als architect om een meerwaarde te creëren, het enge functionalisme voorbij” (deel 2)

Architectura.be interviewde Stéphane Beel naar aanleiding van Stynen2018 en de tentoonstelling 'Léon Stynen, architect', die van 12 oktober tot 20 januari te zien is in deSingel in Antwerpen, een initatief van het Vlaams Architectuurinstituut. Lees hier het tweede deel van het interview (voor deel één klik hier). 

Heeft Stynen volgens u ook minder geslaagde realisaties?

“Bepaalde van zijn gebouwen doen misschien wat stroef aan, bijvoorbeeld die aan de Mechelsesteenweg. Maar dat is eerder te wijten aan een gebrek aan middelen dan aan Stynens onwil om er iets van te maken. Ik ben daar niet streng in. Tussen alle andere gebouwen springen zelfs de minder goede realisaties van Stynen er bovenuit.”
 

"Je kan niet zeggen dat Stynens gebouwen niet geïnspireerd waren. In die tijd bouwde men functioneel omwille van de weinige middelen die er waren."


Het naoorlogse modernisme is later wel in vraag gesteld en zelfs als ‘lelijk’ bestempeld. Bent u het daarmee eens?

“Wat is lelijk? Is dat louter een visueel gegeven? Je kan niet zeggen dat Stynens gebouwen niet geïnspireerd waren. In die tijd bouwde men functioneel omwille van de weinige middelen die er waren. Er zijn excessen geweest met gebouwen die niets aan hun omgeving toevoegden, die niets aan meerwaarde brachten. Daaruit ontstond later het postmodernisme, een tegenbeweging die dan weer andere excessen had in het overdreven vormelijke.”


Bent u als tegenreactie teruggekeerd naar een minimalisme?

“Mensen noemen dat minimalisme, ik noem het eerder maximalisme, Kijk naar Villa M bijvoorbeeld. Zo’n langgerekte woning lijkt niet functioneel, maar je combineert zodanig dat de ruimtes voor de kinderen zich aan de ene zijde bevinden, de ruimtes voor de ouders aan de andere, met de gemeenschappelijke ruimtes middenin. De functies die bij elkaar horen bevinden zich bij elkaar. En door de lengte circuleer je in de woning terwijl je het prachtige terrein bewandelt. Ik vind het erg belangrijk om in een gebouw te voelen dat je deel uitmaakt van een groter geheel. Dat voel je ook in deSingel: de laagbouw is voor deSingel bedoeld, de bovenbouw voor het Conservatorium en de gemeenschappelijke ruimtes zoals de bibliotheek en het restaurant zitten er tussenin.
 

"Een gebouw moet absoluut voldoen aan de functionele eisen. Dat is een conditio sine qua non. Als je daar niet aan voldoet, moet je niet bouwen. "


Ziet u parallellen tussen uw ontwerpstijl en die van Stynen? 

“Zeker, een gebouw moet absoluut voldoen aan de functionele eisen. Dat is een conditio sine qua non. Als je daar niet aan voldoet, moet je niet bouwen. Tegelijk moet een gebouw meer zijn dan louter functioneel. Vandaar dat de gebouwen van Stynen voor mij niet zuiver minimalistisch functioneel zijn. Het is onze plicht als architect om een meerwaarde te creëren, het enge functionalisme voorbij. Een mooie illustratie hiervan is het gevoel creëren dat de gebruikers van een gebouw deel uitmaken van een groep, klein of groot: een gezin, een organisatie, een school. Zo hebben het Conservatorium en deSingel als organisaties op zich niets met elkaar te maken. Maar er zijn uiteraard raakvlakken die ook tot uiting komen in de architectuur. Zo laten we de circulaties in het gebouw door elkaar heen lopen. De circulatie in de bovenbouw is bijna een omkering van de circulatie die Stynen hanteerde in de laagbouw. Onze bovenbouw is geënt op de laagbouw van Stynen, zonder een letterlijke verwijzing te zijn.”

 

Stel dat u Stynen nog één vraag zou mogen stellen, welke zou dat dan zijn?

“Ik heb Stynen bijna ontmoet. Voor de Stynen-tentoonstelling in 1991 zou ik hem gaan interviewen samen met Geert Bekaert, die destijds het boek bij de expo samenstelde. Hij is helaas overleden voor ik hem kon spreken, zeer jammer. Nu, vandaag, zou ik willen hem vragen of hij zich totaal ongelukkig voelt door de huidige situatie waarin de Singel zich bevindt met zijn inplanting langs de ring, of is hij flexibel genoeg om dat een positieve draai te geven, als een uitdrukking van moderniteit? Stynen heeft deSingel ontworpen in de ‘groene vallei’, vandaag ligt er een autosnelweg naast, die ze binnenkort gaan overkappen. Twintig jaar te laat, als je het mij vraagt, want tegen dan rijdt het merendeel van de wagens elektrisch en zijn ze niet langer vervuilend. Of wie weet vliegen we tegen dan al rond en moeten we bovenaan onze gebouwen landingsplaatsen gaan ontwerpen. De vraag is: hoe gedraag je je als architect in die wijzigende wereld, als uw gebouw zich geënt heeft op een andere omgeving? Ben je doodongelukkig of ga je, uit zelfbehoud bijna, zeggen dat het ‘toch nog  altijd schoon’ is? Dat zou ik graag van Léon Stynen willen weten.”