Doorzoek volledige site
22 oktober 2011 | NJ

Genk in Stelling bewijst dat de stad investeert in kwaliteit

Na twee succesvolle avonden sloot de lezing ‘Genk in Stelling’ de lezingenreeks naar aanleiding van de Dag van de Architectuur afgelopen woensdag af. Vijf projecten die op stapel staan werden door de ontwerpers zelf voorgesteld. De oude mijnterreinen van Waterschei, het plein voor het C-mine Cultuurcentrum, het sportcentrum en de scholensite rond de kunstschool zullen er over enkele jaren helemaal anders uitzien.

Na twee succesvolle avonden sloot de lezing ‘Genk in Stelling’ de lezingenreeks naar aanleiding van de Dag van de Architectuur afgelopen woensdag af. Vijf projecten die op stapel staan werden door de ontwerpers zelf voorgesteld. De oude mijnterreinen van Waterschei, het plein voor het C-mine Cultuurcentrum, het sportcentrum en de scholensite rond de kunstschool zullen er over enkele jaren helemaal anders uitzien.


Kwaliteitsvolle architectuur is keuze van de opdrachtgever

De laatste lezing voor de winterslaap van Architectuurwijzer werd ingeleid door Tim Vekemans. Deze derde editie van ‘Genk in Stelling’, georganiseerd door Architectuurwijzer, Stad Genk en C-mine Cultuurcentrum, vormt het bewijs van de inzet van Genk op het vlak van creativiteit en kwaliteit voor de publieke ruimte en architectuur.  


Men stelt vast dat het modewoord ‘duurzaamheid’ tot op vandaag veel te eng wordt geïnterpreteerd. Duurzaamheid heeft niet alleen betrekking op energie maar heeft ook banden met ‘regie’ en ‘goed opdrachtgeverschap’. In 1990 opperde Eric Antonis tijdens een congres over stedelijkheid en kwaliteit voor het eerst het idee van een stadsbouwmeester in Antwerpen. Men was immers van mening dat de overheden tekort schoten op het vlak van een kwalitatief architectuurbeleid. In 1999 werd Bob Van Reeth als eerste Vlaamse Bouwmeester aangesteld. Hij stelde dat kwaliteitsvolle architectuur een keuze is van de opdrachtgever. Genk heeft deze boodschap goed begrepen want zij bouwt aan haar stad. Dit werd o.a. aangetoond met de vijf ambitieuze projecten die werden voorgesteld.


Boekerij wordt hippe plek

Schepen van cultuur Anniek Nagels verontschuldigde de burgemeester Wim Dries en schepen van ruimtelijke ordening Michaël Dhoore. Zij zaten op dat moment in het Stamford Bridge stadion voor de match Chelsea – KRC Genk.
De schepen zag verschillende linken tussen kunst en architectuur, zo ontsnappen beiden niet aan de publieke opinie en net zoals een kunstenaar creëert, zo ontwerpt de architect. Daarnaast haalt ze de Genkse bibliotheek aan als hét levende bewijs van de kracht van architecturale gebouwen. Vroeger werd de bibliotheek, die zich in het stadshuis bevond, wel eens smalend ‘boekerij’ genoemd. Nu de bibliotheek is verhuisd, kent het 1 000 meer ontleners en 100 000 meer ontleningen. Bovendien is het een hippe plek geworden waar verschillende leeftijden, culturen... elkaar ontmoeten. Genk wil hiermee niet per se aan citymarketing doen, de stad wil vooral haar goede werking en diensten tonen.


Duurzaam op alle vlakken

André Kempe, van het Rotterdame Atelier Kempe Thill, mocht de spits afbijten. Samen met Osar ontwierp het bureau de tweede cluster die zal worden ingeplant in het masterplan van HUB voor het Thor Wetenschapspark op de oude mijnterreinen van Waterschei.





Bij de aanvang van het project werd vastgesteld dat een wetenschapspark verder borduurt op het model van een campus maar tegelijkertijd ook veel weg heeft van een bedrijventerrein. Beide types hebben totaal verschillende eigenschappen, de uitdaging was dan ook de twee aspecten in één synthese te gieten. Bovendien konden de kwaliteiten van de context; de monumentale gebouwen en het mijnlandschap, niet onbenut blijven. Het resultaat is een eenvoudige verschijning waarin het monumentale in een nieuwe vorm is verwerkt. Het onderzoeksgebouw, gelegen tegenover het voormalige energiegebouw, gaat d.m.v. zijn materialisatie, een metalen bekleding, een relatie aan met het oude mijngebouw maar behoudt tegelijkertijd ook zijn autonomie.

Verder werd er stilgestaan bij de gebruikers van het gebouw. Een onderzoeker werkt in een informele context en schenkt weinig aandacht aan esthetiek. Atelier Kempe Thille keek naar hun eigen werkruimte, ook daar worden tafels verschoven, ligt er rommel op de grond... toch zorgt de schil van de ruimte voor een architectonisch beeld. Het onderzoeksgebouw in Waterschei zal een atrium krijgen dat het hart vormt van het gebouw en zal zorgen voor relaties en een verwevenheid tussen kantoor en productie. Het publieke deel bevindt zich aan het plein waar ook de oude gebouwen van de mijn aan grenzen.





Ook aan het aspect duurzaamheid werd de nodige aandacht besteed. Hierbij nuanceerde André Kempe de hype rond het begrip. “Duurzaamheid heeft niet alleen betrekking op het besparen van energie. We moeten duurzaamheid bekijken op alle vlakken”, aldus Kempe. Zo werd het project als een slim ontwerp vormgegeven, resulterend in een compact volume waarbij daglicht kan toetreden in de kantoren en labo’s en tegelijkertijd aandacht werd gegeven aan de beheersing van zonnewarmte. Daarnaast zit het duurzame in de flexibiliteit van het gebouw: een ander programma zou immers het gebouw kunnen inpalmen. Ook de ruimtelijke meerwaarde die wordt gecreëerd door grote hoogtes, vides en grote overspanningen wordt aan het begrip duurzaamheid gelinkt.

 

Op ontdekking onder het plein

De volgende architect die het woord nam, was Halewijn Lievens van NU architectuuratelier uit Gent. Bij aanvang van het project ‘mine experience’ waren de mijnen totaal nieuw voor hen. Het feit dat de oude ventilatietunnels nooit waren gebouwd om mensen in te laten circuleren wist hen te overtuigen om deel te nemen aan de wedstrijd. Ze stonden voor de uitdaging mensen massaal in deze geamputeerde ventilatieschacht te krijgen. Ook het ondergrondse sprak hen aan, niet zo zeer de mijn zelf, maar wel het beklemmende gevoel, het idee van geen uitzicht te hebben.


Momentaal zijn bouwvakkers druk in de weer met de geheime verbindingen onder het plein voor het C-mine Cultuurcentrum klaar te maken voor bezoek. De architecten willen van het project geen mijnmuseum maken maar een belevenis over ‘nu’ in plaats van terug te kijken in het verleden.





De verschillende aanwezige elementen zullen een verhaal vertellen maar zijn wel een creatieve, artistieke filter gepasseerd. Zo zullen er klokachtige ruimten gecreëerd worden waarin een fictief verhaal wordt verteld (o.a. door Stijn Meuris). Dit verhaal versterkt men met animaties of 3D-projecties. Belangrijk hierbij is dat de projectie belangrijker blijft dan de techniek. Daarnaast zal ook een panoramascherm als element in de schacht aanwezig zijn. Door aan het wiel te draaien kan men terugkeren in de tijd. Het innovatieve aan dit element is het feit dat er een compilatie wordt gemaakt van het oude landschap en het veranderde, nieuwe landschap. Daarnaast is er ook plaats voor een galerijruimte, een doolhof en plekken waarin het auditieve zintuig wordt aangesproken.

Aan de oude ventilatieschachten werd zo min mogelijk geraakt, op de wanden waren doorheen de tijd mooie afzettingen van mijnstof verschenen. Deze konden echter niet geconserveerd worden, evenmin werden ze weggehaald. In de bestaande ventilatieschachten werden openingen gemaakt. Hier kan men even een glimp opvangen van hetgeen buiten gebeurt, toch blijft het gedesoriënteerd gevoel. Een nieuwe tunnel werd gerealiseerd in een pentagonvorm. Hierbij verdwijnt de notie van vloer en plafond.





Kers op de taart van het project wordt het panoramisch uitzicht, in contrast met het ondergrondse, vanop de hoogste schachtbok van België. Vanuit de tunnel kan men een betonnen helix-vormige trap betreden die 15 meter boven het maaiveld eindigt. Hierna volgt een uitdagende beklimming in een soort visfuik die aan de unieke 3-potige schachtbok is opgehangen.

 

Sporthal met een ruimte zoals een kerk

Het volgende project dat Genk in stelling heeft staan, is de uitbreiding van het sportcentrum gelegen aan het zwembad met het indrukwekkende schaaldak. Architect Isia Isgour tekende een hypardak op twee poten waarbij zo’n 74 meter wordt overspannen met twee betonnen vleugels van 6 cm dik.


De plek die tijdens de wedstrijdfase werd gereserveerd voor de twee sporthallen (met o.a. danszaal, 6 basketbalvelden…) bevond zich op het laagste punt in het glooiende landschap rondom het zwembad waar men het dak in vol ornaat kan bewonderen. Bovendien zou een nieuw gebouw op deze plek het zicht naar de drie indrukwekkende schoorstenen hypothekeren. Bel Architecten vroegen zich af of Genk wel een uitbreiding wou die dit zicht zou wegnemen.





Isia Isgour had destijds al het idee van een sportdorp rondom het zwembad te realiseren. Het team van Bel Architecten heeft deze draad terug opgenomen. Jeroen Beerten: “We wilden een nieuw gebouw naast het zwembad realiseren met daartussen een sportforum. Het gebouw moest een eigen identiteit hebben en evenwaardig kunnen worden aan het bestaande. Het moest zich niet per se nederig opstellen.”
De organisatie en de afmetingen van het nieuwe gebouw komen voort uit het programma. Bovendien werd het plan functioneel georganiseerd met een middenbeuk die de scheiding vormt tussen de twee sporthallen. Op het gelijkvloers worden in deze middenbeuk de bergingen voorzien. De inkom bevindt zich op de verdieping, met daarachter de spelersgang. Op het hoogste niveau bevindt zich over de volledige lengte een cafetaria met toegangen tot de tribunes. Ook de manier waarop het project is vormgegeven is ontstaan vanuit het programma, men moest immers elke hal kunnen opsplitsen in drie aparte delen. Er werd gekozen voor een eenvoudige structuur, drie grote bogen, die het geheel van 32m in één keer overspant. In de oksels van het dak worden perforaties gemaakt waardoor het daglicht in de sporthal kan binnendringen.





Rekening houdend met brandpreventie en hygiëne diende het wedstrijdontwerp herdacht te worden. Hierbij werd veel aandacht en onderzoek besteed aan de volumes in de middenbeuk. Door de vele vragen op te lossen zijn er nieuwe en andere kwaliteiten ontstaan.  Bovendien moest men ook rekening houden met technische zaken zoals akoestiek. De aanvankelijk volledige betonnen schaal wordt nu een hybride constructie waarvan de onderste 6m uit beton zal bestaan, de rest van de constructie zal opgebouwd worden met stalen spanten opgevuld met akoestisch materiaal. Het resultaat zal een sporthal worden met de ruimte die te vergelijken is met een kerk of kathedraal.

 


Inkompoort van het wetenschapspark

Jascha Rondou van POLO Architects kwam het project ‘Incubator’ presenteren. POLO Architects worden de toekomstige buren van Atelier Kempe Thill/Osar op het wetenschapspark van Waterschei. Zij maakten het winnende ontwerp voor de eerste cluster, vlak langs de historische site, van het masterplan ontwerpen door HUB. 


Het uitgangspunt van dit ontwerp was het parkeren, zoals een trap dat is bij het ontwerpen van een gezinswoning. Hoe dieper men zou parkeren, hoe meer flexibiliteit men bovengronds kon hanteren. Anderzijds betekende dieper graven ook dat men meer mijnsteen moest afvoeren en elders stockeren. Een compromis werd gevonden in het half ondergronds parkeren. Hierdoor kon men een dek, esplanade realiseren waarop men een uitkijk heeft over de grootschalige site.
 





Bij de uitwerking was de eindgebruiker niet gekend, vast stond wel dat er ICT-gerelateerde zaken in terecht zouden komen. Kenmerkend voor hen is dat ze vaak klein starten en plots snel groeien. Een flexibele opbouw was dus nodig.
Deze eerste cluster, de toegangspoort tot de site, werd opgedeeld in twee volumes: een incubator en een energiehuis. De volumes werden oost-west georiënteerd waardoor de langse gevels gericht werden naar het noorden en zuiden. Dit is wat betreft duurzaamheid het interessantst. Bovendien ontstond er zo een tussenzone die aan weerszijden een interessant zicht opleverden; aan de ene zijde de monumentale gebouwen, aan de andere kant een zicht over het schraal graslandschap.

De uitsparing in het volume aan de toegangshoek van het park vormt de royale inkom. Van hieruit kan men het dek bereiken waar de toegangen van de twee gebouwen gelegen zijn. De uitsparingen werden ook gemaakt met het oog op de doorwaadbaarheid van de cluster. Op het vierde niveau werd een verschil in hoogte gerealiseerd, hiermee wou men vermijden dat het project te bombastisch zou overkomen en de concurrentie zou aangaan met het bestaande mijngebouw. Het incubatorgebouw werd wel tot de volledige hoogte opgetrokken om de toegang van het park te markeren. In tegenstelling tot het mijngebouw waarin veel verschillende materialen en speklagen werden gebruikt, werden de materialen voor dit project (glas, gezuurde beton in grote vlakke panelen) bewust sober gehouden.

 

De ruimte als leraar

Het laatste project van de avond, de uitbreiding van de kunstschool van Genk en de nieuwbouw voor Regina Mundi werd voorgesteld door Luc Vanmuysen van A2O architecten uit Hasselt.
De school Regina Mundi wou haar huidige site verlaten en zich vestigen in de buurt van de andere scholen zoals het college en de kunstschool. Deze kunstschool wou zich tegelijkertijd een nieuw gezicht aanmeten. Vanmuysen haalde hierbij een stelling van Otto Seydel (2004) aan: “Een leerling heeft 3 leraren; de andere leerlingen, de leraren en de ruimte”. 


Het ontwerp werd op verschillende niveaus bekeken. Op het niveau van de stad wou men het campusmodel behouden met een open omgeving en relaties tussen de verschillende gebouwen. Hierbij is een vloeiende doorwaadbaarheid van belang. Ook werd er aandacht besteed aan het groen, een betere ontsluiting van de scholen, een gemeenschappelijke parking en sportterreinen die door iedere school gebruikt zouden kunnen worden.


Wanneer we de site zelf bekijken, wordt de nieuwe school gevormd door een lange blok waaraan een sporthal gekoppeld is. Van de kunstschool, een aaneenschakeling van verschillende volumes, zal het deel dat op geen enkele wijze ‘een school’ uitstraalt, afgebroken worden. Op deze vrijgekomen plaats wordt een tegenvorm van het bestaande gecreëerd. Een luifel , die de randen van de site volgt, vormt de afscherming van de speelplaats en verbindt beide scholen met elkaar.


Het programma voor Regina Mundi bestond uit twee grote delen: de school en de sporthal. Het schoolvolume werd opgesplitst met daartussen een boeiende tussenruimte in de vorm van een atrium die wordt verlicht door lichtkoepels. De eetzaal, aan de zijde van de speelplaats, kan aan één zijde volledig opengezet worden. Ook de lokalen werden ruimtelijk ontworpen met hoge plafonds en maximale daglichttoetreding dankzij vensters die reiken van vloer tot plafond.


Om de lengte van het bouwblok, opgetrokken in beton en glas, te breken, werd de sporthal deels in de grond voorzien. Hierdoor komt het op hetzelfde niveau als de luifel.

Het bestaande deel van de kunstschool zal worden ingepakt met een gordijngevel om het bouwfysisch in orde te maken. Het nieuwe gedeelte, dat zich als een ‘L’ rond het bestaande gebouw vormt, zal deels worden bekleed met textiel en hout. Dit textiel zal zorgen voor getemperd licht in de ateliers. Door de toepassing van een zuivere skeletstructuur is de polyvalentie van het gebouw gewaarborgd.

In beide scholen zal kleur een belangrijke rol spelen, kleur zorgt immers voor een prikkel naar de leerling toe. In Regina Mundi zullen de oranje-rode tinten toegepast worden, in de kunstschool zullen dit de geel-oker tinten zijn.

 


Nieuwe sprekers na een korte pauze

Bij het afsluiten van de avond werden de sprekers van de AZ-lezingen, die in het voorjaar van 2012 worden georganiseerd, bekend gemaakt. Architectuurwijzer verwelkomt in de Zebrazaal van Hasselt het Rotterdamse bureau STAR strategies + architecture, het Hasseltse bureau Broekx-SchiepersRaumlabor uit Berlijn en David Kohn Architects uit Londen.