Doorzoek volledige site
04 maart 2013 | TIM JANSSENS

Panelgesprek zorgbouw (1): Integratie van zorg in de omgeving

De nakende vergrijzing van onze samenleving zal de zorgsector de komende jaren voor enkele belangrijke uitdagingen plaatsen. In de eerste plaats is er dringend nood aan betere zorginfrastructuur, al is de concrete invulling van het predikaat 'beter' momenteel voer voor eindeloze discussies. Architectura en Actual Care brachten Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Jo Vandeurzen samen met vier architecten en een academisch researcher voor een debat over de toekomst van de zorgsector. Een eerste belangrijke vraag die aan bod kwam, was hoe we (woon)zorginstellingen in de toekomst beter kunnen integreren in hun omgeving.
Het zijn boeiende tijden voor de zorgsector. In het licht van de nakende vergrijzing van onze bevolking is er immers dringend nood aan meer en betere zorginfrastructuur. Over de invulling van het predicaat ‘meer’ is men het intussen min of meer eens (per jaar moeten er ongeveer 1500 extra woongelegenheden voor ouderen bijkomen), maar wat ‘betere zorginfrastructuur’ precies betekent, is momenteel voer voor eindeloze discussies. Architectura en Actual Care brachten Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Jo Vandeurzen samen met vier architecten en een academisch researcher voor een debat over de toekomst van de zorgsector. Een eerste belangrijke vraag die aan bod kwam, was hoe we (woon)zorginstellingen in de toekomst beter kunnen integreren in hun omgeving.


Ruimtelijke inplanting en integratie van onze toekomstige (woon)zorginstellingen in hun omgeving, het is een belangrijk vraagstuk. Want hoe zet je de woonbehoeften van de ouderen van morgen (huiselijkheid en schaalverkleining, integratie met andere niet-zorggerelateerde functies, focus op sociaal contact om vereenzaming tegen te gaan, enz.) en de stijgende vraag naar ‘onzichtbare zorg’ (hulp- en dienstverlening integreren in de 'woonomgeving' en niet langer andersom) om in een ontwerp voor een goed functionerend (woon)zorgcomplex dat perfect is ingebed in zijn omgeving? Hebben zorginstellingen hun plaats in onze steden, en hoe zorgen we concreet voor die lokale verwevenheid die we in de toekomst meer dan ooit lijken te willen nastreven?



Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Jo Vandeurzen legt uit wat hij bedoelt met de 'vermaatschappelijking van zorg', volgens hem een van de zaken die we bij het organiseren van onze zorg moeten nastreven.




Privé versus overheid

Volgens Alfredo De Gregorio (De Gregorio & Partners) kunnen vooral privé-investeerders die de broodnodige vernieuwing stimuleren omdat zij vanuit hun hart voor ouderenzorg het verst willen gaan in de zoektocht naar die innovatieve ruimtelijke zorgconcepten: “De Privé-investeerders waar wij mee werken, vertrekken meer vanuit een passie voor bejaarden, waardoor de fijne aspecten gaan primeren op de praktische problemen. Onlangs hebben we bijvoorbeeld een woonzorgcentrum opgeleverd dat duidelijk een themagericht rustoord wil zijn. Het is opgevat als een charmehotel en zoekt – onder andere via de integratie van een openbaar café – de band met de omgeving sterk op. Ook OCMW's zullen uiteindelijk die toer opgaan, al zal het daar wellicht wat langzamer verlopen. OCMW’s hebben vaak wat loggere organisaties, en zitten dikwijls vast aan praktische zaken zoals het kuissysteem en dergelijke. Het is in OCMW-gebouwen dan ook wat moeilijker om nieuwe zaken te implementeren. Maar begrijp me niet verkeerd: met een goed OCMW geraak je veel verder dan met een moeilijke privé-partij.”

Peter Cornoedus (PCP Architects) sluit zich aan bij de stelling van De Gregorio: “Privé-investeerders lijken me meer geneigd om die plaatsgebondenheid op te zoeken en rekening te houden met zaken die verder gaan dan alleen het woonzorgaspect (bijvoorbeeld de nabijheid van een fietsroutenetwerk, synergie met scholen in de directe omgeving die er projecten kunnen uitvoeren, enz.). Een woonzorgcentrum mag geen instituut met gesloten deuren zijn.”



De Nieuwe Kaai in Turnhout, een themagericht rustoord van de hand van De Gregorio & Partners dat is opgevat als een charmehotel. De band met de omgeving is vrij sterk omdat er onder meer een openbaar café in geïntegreerd is.




Ondernemingsgeest

Jorden Goossenaerts (RDBM) meent echter dat de manier van exploiteren en de ondernemingsgeest van de investeerders zwaarder doorwegen dan het onderscheid privé-publiek: “Er zijn best ook wat OCMW's die oren hebben naar die synergie met de omgeving. De brutovloeroppervlakte van een café of een publieke zone in een woonzorgcentrum is meestal vrij beperkt, en dus is het ook voor OCMW's perfect realiseerbaar. De mate van verwevenheid met de omgeving hangt mijns inziens volledig af van de ondernemingsgeest van de personen waar je mee werkt. We hebben zulke ondernemers ook wel nodig, want integratie van andere functies in woonzorgcentra zal in de toekomst noodzakelijk worden om ze optimaal in te bedden in hun omgeving.”

Minister Vandeurzen is het evenmin eens met de stelling dat OCMW's minder innovatief voor de dag zouden komen: “OCMW's zijn volgens mij niet minder geschikt dan privé-instellingen om bijvoorbeeld een nieuwe vorm van kleinschaligheid te koppelen aan bepaalde organisatorische noodwendigheden. Er is geen enkele reden waarom OCMW-instellingen niet even goedkoop en klantvriendelijk gerealiseerd zouden kunnen worden als privé-instellingen. Ik zie meer en meer OCMW-centra waar de praktische gang van zaken een goede zorgverlening en inrichting niet in de weg staat.”




Volgens Peter Cornoedus (PCP Architects) is de spreiding van locaties voor de bouw van zorginstellingen een van de pijnpunten binnen onze huidige gezondheidszorg. In het panelgesprek met minister Vandeurzen pleitte Cornoedus er dan ook voor om het aangeboden type zorg (rusthuis, serviceflats, enz.) te bepalen in functie van een specifieke locatiebehoefte.
 



Hybride programma's

Zorg die via een verbeterde integratie in de omgeving een rol speelt in stads- en gemeenschapsontwikkeling? Moet kunnen. Wat de integratie van andere functies in woonzorgcentra betreft, zijn de architecten het dan ook roerend eens: door in een woonzorgcentrum een kapsalon, een café, een winkel, enz. onder te brengen, kan je er een sociale dynamiek creëren die zowel de bewoners als de ruimere omgeving alleen maar ten goede komt. “Ik geloof sterk in zulke hybride programma's,” vertelt Jo Berben (a2o). “Ik zou daar zelfs zeer ver in gaan: het vermengen van functies zou het traditionele gebruik van de ruimte moeten overstijgen. Waarom geen kinderopvang, horeca-faciliteiten of reisbureaus integreren in onze woonzorgcentra? Deze oefeningen worden mijns inziens in Vlaanderen nog veel te weinig gemaakt. We hebben er geen traditie in, maar kunnen wel leren van Scandinavische modellen hoe we diverse programma's nog meer met elkaar kunnen verweven.”

Ook Peter Cornoedus is een voorstander van verregaande verwevenheid: “Wil je woonzorgcentra optimaal inbedden in woon- en leefomgevingen, dan moet je inderdaad veel verder gaan dan enkel de integratie van een openbare cafetaria en opteren voor het dubbel gebruik van functies (bijvoorbeeld vergaderruimte voor de buurt), zodat er een levend patroon ontstaat dat thuishoort in een wijk. Dit alles moet resulteren in een zeer gevarieerd aanbod, zodat je allerlei mogelijkheden kan aanbieden in functie van de verschillende behoeften van ouderen.”




Jo Berben (a2o) pleit voor hybride zorgprogramma's waarbij andere functies op een slimme manier geïntegreerd worden in een woonzorginstelling.




De locatie is heilig

Om deze verwevenheid te kunnen realiseren, moet een woonzorgcentrum natuurlijk goed gelegen zijn. 'De locatie is heilig', maar waar bevindt deze zich dan precies? Minister Vandeurzen vindt dat ouderenzorg ook een plaats verdient in onze steden en dat het bovendien mogelijk is om onze ruimtelijk ordening te optimaliseren via strategische zorgrenovaties: “Vermaatschappelijking van zorg betekent immers ook dat je bekijkt hoe gebouwen zoals leegstaande kloosters en gevangenissen, die binnen de stedelijke kernen geen plaats meer hebben, ingevuld kunnen worden met zorgfuncties. Woonzorginitiatieven kunnen op die manier een opportuniteit zijn om stedelijke weefsels te herschikken.”

Jorden Goossenaerts (RDBM) is eveneens van mening dat woonzorginfrastructuur haar plaats heeft in onze stads- en dorpskernen, maar ziet dat dit hier in Vlaanderen voorlopig zeer weinig het geval is: “Ik vind het vanuit sociaal oogpunt niet slim om de rand van een dorp of stad op te zoeken, maar begrijp ook wel dat dit veelal ingegeven is door de prijs van de grond. Dit is namelijk dé factor die ouderen ervan weerhoudt om te wonen waar ze echt zouden willen wonen. Willen we tot een betere integratie van zorg in omgeving en maatschappij komen, dan moeten we er volgens mij in eerste instantie vooral voor zorgen dat woonzorgcentra wel in de stads- en dorpskernen ingeplant kunnen worden, en dit via subsidies om de hogere grondprijzen te compenseren en het waarderen van de vastgoedwaarde van die nieuwe gebouwen. We moeten de nood aan nieuwe zorginfrastructuur gebruiken om onze ruimtelijke ordening en ons patrimonium eindelijk op een goede manier te verankeren, en dit aan de hand van slimme casco's die zowel door hun locatie als door hun energieprestaties en flexibele inrichtingsmogelijkheden – onder andere voor zorg- en verzorgingsfuncties, maar ook voor nog zoveel meer andere doeleinden – per definitie duurzaam en dus zeer waardevol zijn.”



Om zorg goed te kunnen integreren in omgeving en samenleving, moeten er volgens Jorden Goossenaerts ook zorginstellingen in stads- en dorpskernen gebouwd kunnen worden. Momenteel is dit echter nog niet echt mogelijk doordat de grondprijzen daar nog veel te hoog liggen. Het wordt volgens Goossenaerts dan ook een belangrijke uitdaging om ervoor te zorgen dat zulke locaties in de toekomst wél betaalbaar worden.




Stedelijk denken

Alfredo De Gregorio (De Gregorio & Partners) is het hier roerend mee eens. Het inplanten van woonzorgcentra moet volgens hem opnieuw neerkomen op een soort van samenlevingsopbouw, al vindt hij dat een locatie in de stad geen absolute voorwaarde is om tot die felbegeerde verwevenheid te komen: “We moeten evolueren naar een mix van zorg. Sommigen neigen naar zorgcampussen in steden, maar dan bestaat het gevaar dat ze opnieuw in een soort van isolement terechtkomen. Op zich vind ik die stedelijke context eigenlijk niet zo belangrijk, het gaat me meer om die noodzakelijke verwevenheid. Of je nu in de stad of erbuiten een woonzorgcentrum bouwt: je moet denken in stedelijke typologieën en gebouwen maken die andere functies kunnen krijgen. Je moet ook bepaalde voorzieningen in de buurt hebben, en zo niet moet de overheid stimulerende maatregelen nemen. In Leuven bouwen we een woonzorgcentrum waarbij er – met hulp van de universiteit – een link komt tussen bejaarden, studenten, kinesisten, klusjesdiensten, enz. Het gevolg van deze goede inbedding is dat de projectontwikkelaar geopteerd heeft om in de rest van de ontwikkeling voor ruim 25 procent van de woningen levenslang wonen te organiseren. De samenleving profiteert van zulke concepten, want ouderen zullen nog langer thuis kunnen blijven. Dat is de sleutel: het stimuleren van initiatiefnemers om mee te gaan in je grensverleggend verhaal, geïntegreerde zorg!”


Noot: Dit artikel verscheen eerder ook al in het zorgmagazine Actual Care.