Doorzoek volledige site
18 maart 2013 | TIM JANSSENS

Panelgesprek zorgbouw (3): Het financiële en wetgevende plaatje

De realisatie van een nieuw woonzorgcentrum is een dure aangelegenheid. Gelukkig zijn er de VIPA-subsidies, al lijken deze de bewegingsvrijheid van initiatiefnemers en ontwerpers samen met de wettelijke reguleringen toch een stuk in te perken. Dit werd onlangs nog eens benadrukt door de vier architecten die deelnamen aan het panelgesprek met Minister van Welzijn en Volksgezondheid Jo Vandeurzen, dat georganiseerd werd door Architectura en Actual Care.
De realisatie van een nieuw woonzorgcentrum is een dure aangelegenheid. Gelukkig zijn er de VIPA-subsidies, die maken dat het op financieel vlak toch enigszins haalbaar blijft. Maar om deze te verkrijgen, moet je als initiatiefnemer aan een heleboel regels voldoen. Samen met de wettelijke reguleringen lijken de VIPA-eisen de bewegingsvrijheid van initiatiefnemers en ontwerpers toch een stuk in te perken. Als we binnenkort effectief tot nieuwe woonzorgconcepten willen komen, zullen deze eisen en regelgevingen met andere woorden danig moeten worden aangepast. Dit werd onlangs nog eens benadrukt door de vier architecten die deelnamen aan het panelgesprek met Minister van Welzijn en Volksgezondheid Jo Vandeurzen, dat georganiseerd werd door Architectura en Actual Care.



Ten Dijke, een complex met twintig nieuwe serviceflats van de hand van RDBM dat de werking van het aanpalende rusthuis Ter Schelde ondersteunt.


Haat-liefdeverhouding

Subsidies zijn op zich een goede zaak, maar worden niet door iedereen even positief onthaald. Academisch researcher Oswald Devisch deed met onderzoeksgroep ARCK onderzoek naar innovatieve ruimtelijke zorgconcepten. Een van zijn bevindingen was dat het huidige subsidiëringssysteem de broodnodige innovatie van onze zorgsector kan afremmen: “Heel wat initiatiefnemers zijn door hun nood aan subsidies afhankelijk van het VIPA en kunnen dus niet anders dan voldoen aan die strenge regelgeving. Hierdoor is er bijzonder weinig ruimte voor nieuwe invullingen en geraak je op de duur verstrengeld in een soort vicieuze cirkel. Natuurlijk dienen de normen die de subsidies omkaderen ertoe om de kwaliteit van een realisatie enigszins in de hand te houden, maar als je de zaken te fors in de hand houdt riskeer je een belemmerende in plaats van een faciliterende factor te worden.”

Architect Jorden Goossenaerts (RDBM) kan dit – vanuit zijn ervaring in de praktijk – enkel maar beamen. De manier van subsidiëren moet volgens hem veranderen, net opdat subsidies innovatie zouden aanwakkeren in plaats van afremmen: “Het probleem van al die normen is namelijk dat je het bouwprogramma erop begint af te stemmen, wat de inventiviteit en het ondernemerschap natuurlijk niet ten goede komt. De vraag is met andere woorden hoe we die subsidiëring kunnen enten, zodat ze de noodzakelijke evoluties stimuleert in plaats van verhindert. De grondprijzen in onze stads- en dorpskernen vormen momenteel bijvoorbeeld een aanzienlijk obstakel om zorginstelling in het hart van onze leefomgevingen in te planten. Waarom zouden we die subsidies niet gebruiken om op dit vlak bij te passen? Dit zou het mogelijk maken om overal woonzorgcentra te bouwen, wat normaal gesproken altijd resulteert in een betere integratie van onze zorginfrastructuur in zijn geheel.”

Peter Cornoedus (PCP Architects) pleit dan weer voor een subsidietoekenning op basis van de kwaliteit van een project: “Op dit moment word je normatief beoordeeld aan de hand van een soort puntensysteem, terwijl die beoordeling eigenlijk altijd kwalitatief zou moeten gebeuren. Maar daar is meer voor nodig dan mensen die kunnen registreren, namelijk mensen die kunnen interpreteren en die kennis van zaken hebben. Toch lijkt het me een noodzaak om te evolueren naar een kwalitatieve beoordelingsprocedure als we de markt willen opentrekken en innovatieve concepten de kans willen geven.”



Om zorg goed te kunnen integreren in omgeving en samenleving, moeten er volgens Jorden Goossenaerts (RDBM) ook zorginstellingen in stads- en dorpskernen gebouwd kunnen worden. Momenteel is dit echter nog niet echt mogelijk doordat de grondprijzen daar nog veel te hoog liggen. Het wordt volgens Goossenaerts dan ook een belangrijke uitdaging om ervoor te zorgen dat zulke locaties in de toekomst wél betaalbaar worden.


Weg met de subsidies?

Alfredo De Gregorio bekijkt het iets drastischer en vindt dat we in de zorgbouw pas echt vooruitgang kunnen boeken als de subsidies afgeschaft worden: “De subsidies zouden moeten worden vervangen door een andere stimulans vanwege de overheid, bijvoorbeeld een schenking van een bepaald bedrag per gerealiseerde kamer. In Limburg heeft LSM met een basisbudget zo op amper twee jaar tijd een tekort van 1000 bedden weggewerkt. Het heeft simpelweg een oproep gelanceerd aan alle eigenaars van woonzorgcentra en hen gemeld dat ze een vast bedrag konden verkrijgen als ze een nieuwe kamer bouwden die aan een paar standaardvereisten voldeed. Dit was een enorm succes en heeft uiterst snel en eenvoudig tot de realisatie van die 1000 nieuwe kamers geleid, iets waar het VIPA veel van kan leren. De beste rustoorden zijn de rustoorden die gerealiseerd worden zonder subsidie. Als je zonder subsidies werkt, wordt je automatisch gedwongen om creatief te zijn.
De manier waarop VIPA subsidieert – op basis van het aantal vierkante meter – is volledig fout. Het zou een pluspunt moeten zijn als je de kosten kan terugdringen door een groter gebouw te realiseren, maar je wordt er in tegendeel voor afgestraft, want 'de meters zijn heilig'. De woonzorgcentra die we zonder subsidies bouwen zijn op architecturaal vlak beter dan OCMW-woonzorgcentra, en ze kosten bovendien minder.”

Minister Vandeurzen nuanceert de kritiek op de VIPA-subsidies. “Er is onlangs in opdracht van de Vlaamse Overheid een studie uitgevoerd omtrent de eventuele meerkost en de meerwaarde van bouwen met VIPA-subsidies. Er wordt weleens beweerd dat je een gebouw ook zonder VIPA-subsidies dezelfde duurzaamheidskenmerken kan geven en dat ze enkel maar een kostendrijvende en complicerende factor zouden zijn. Dit verbaast me ten zeerste. Ik sta best open voor verandering en vind de huidige manier van subsidiëren ook geen systeem voor de eeuwigheid, maar de VIPA-subsidies demoniseren vind ik te ver gaan.”



Alfredo De Gregorio is geen onverdeeld voorstander van subsidies voor bejaardenzorg. De Gregorio meent dat exploitanten automatisch meer creativiteit aan de dag zouden leggen als ze minder subsidies zouden krijgen, wat de kwaliteit van de zorgbouw en de zorgverlening volgens hem alleen maar ten goede zou komen.


Te strenge regelgeving?

De studie van Oswald Devisch en onderzoeksgroep ARCK is formeel: de bestaande, steeds strenger wordende regelgeving maakt het in de praktijk quasi onmogelijk om ruimtelijke innovatie door te voeren. Vlaams Bouwmeester Peter Swinnen pleit in zijn nota over 'onzichtbare zorg' dan ook voor een intelligente interpretatie van deze regelgeving. Een regelgeving die niet vertrekt vanuit een minimaal scenario is volgens hem niet meer haalbaar. Staat de huidige regelgeving de broodnodige innovatie van de zorgsector in de weg?

Peter Cornoedus vindt alvast van niet: “In elke discipline is er regelgeving. En toegegeven: die regelgeving is op zich vrij droge kost. Het is niet onlogisch dat je daar als beginnend architect interpretatiemoeilijkheden mee hebt. Maar als je als architect bewust met inventieve en vernieuwende architectuur bezig bent, dan slaag je er na verloop van tijd wel in om je erdoor te worstelen zonder te moeten inboeten aan kwaliteit of innovatie. Enkel het feit dat die regelgeving zo normatief gehanteerd wordt, stoot me wat tegen de borst. Er zou wat onderhandelingsmarge moeten zijn, een mogelijkheid om toe te lichten waarom je bepaalde zaken anders hebt aangepakt. Het is immers net in die randzones dat je innoverend kan zijn.”

Alfredo De Gregorio vindt evenwel dat de huidige regelgeving de ontwerpvrijheid niet bepaald ten goede komt: “De regelgeving is op zich niet streng, maar vooral rigide. Ze heeft bijvoorbeeld niet voldoende feeling voor concepten. Een voorbeeld: VIPA hanteert door zijn oppervlaktebepalingen de officieuze regel dat er gemiddeld per dertig bedden een dagzaal moet zijn. Als je als exploitant vindt dat dertig bedden te veel is en liever een dagzaal per twintig bedden zou maken, wat op zich veel beter is, dan kom je in conflict met die oppervlakteregeling.” Jo Berben (a2o) en Jorden Goossenaerts zijn het hier niet mee eens: “Natuurlijk kan je vernieuwender uit de hoek komen als er geen regels zijn waar je je aan moet houden, maar dit wil niet zeggen dat er niets mogelijk is. VIPA geeft je bijvoorbeeld wel degelijk de kans om een dagzaal per tien bewoners te maken, maar dan moet je dat wel kunnen koppelen aan een andere functie en kunnen aantonen dat je dat qua exploitatie wel degelijk aankan. VIPA is op dit moment nu eenmaal het ABC, en het is aan ons om met die lettertjes te dichten.”



Peter Cornoedus (PCP Architects) vindt dat de normgeving inzake zorgbouw een te normatief karakter heeft. "Normen moeten tot een betere kwaliteit leiden, en op dit moment lijkt de kwaliteit al te vaak ondergeschikt."


Vergunningen

Een derde punt dat dikwijls aangehaald wordt als een remmende factor voor de noodzakelijke innovatie van de zorgsector is de langdradige vergunningsprocedure, die bepaalde projecten soms echt kan bevriezen. Minister Vandeurzen beseft dat er een en ander beter kan en zal daarom vanaf volgend jaar enkele maatregelen nemen: “We gaan het systeem van de voorafgaande vergunningen aanpassen. Als je een goed concept hebt en kan aantonen dat je realisatie haalbaar is en beantwoordt aan de lokale noden, gaan we een handje helpen om zulke projecten meer mogelijkheden te geven. De kwaliteit moet primeren, niet het aantal vergunningen. We hebben dit aan de sector ook duidelijk gemaakt: vergunningen staan niet gelijk met een bepaalde marktwaarde.”

Jorden Goossenaerts suggereert een vergunningsprocedure op basis van een kwalitatieve beoordeling: “Misschien is het een oplossing om bij het toekennen van een bedvergunning rekening te houden met bijkomende criteria zoals locatie en concept. Op dit moment volstaat het al om voor de dag te komen met een grond waar een woonzorgcentrum zou kunnen worden geplaatst, wat een relatief lage drempel is. Er wordt met andere woorden te weinig naar de mogelijke kwaliteit van dat woonzorgcentrum gepeild.” Jo Berben oppert dan weer om provincies die taak van zorgregisseur op zich te laten nemen.

Minister Vandeurzen kan de redenering van Goossenaerts en Berben wel volgen: “Het zou al een goed begin kunnen zijn om de regio's of provincies waar er een bepaalde lacune is aan opvang voor een bepaalde groep (bijvoorbeeld jong dementerenden) voorrang te geven. Het activeren van de vergunningen is dus zeker iets waar we de komende jaren werk van zullen maken.
Anderzijds staat onze administratie ook niet meteen te springen om kwaliteit als criterium te gebruiken, omdat het altijd wel iets subjectief en arbitrair zal hebben. We moeten dus bekijken hoe we aan die kwaliteit ook enkele objectieve parameters kunnen koppelen.”



Peter Cornoedus (PCP Architects): “De huidige normatieve regelgeving moet plaats ruimen voor kwalitatieve projectevaluaties.”


Noot: Dit artikel verscheen eerder al in het zorgmagazine Actual Care.