Doorzoek volledige site
05 januari 2015

2014 volgens Wim Boydens: Het uithoudingsvermogen op de proef

Ook Wim Boydens van studiebureau boydens laat zijn licht schijnen over het voorbije jaar. "Een jaar vol was 2014 wel, in dit energietransitie-decennium. Het ligt er samen met 2015 ook midden in. Voor mij was het bijzonder boeiend, en de duurzaamheidsambitie blijft bijzonder intens inspireren in het dagdagelijkse werk van conceptontwikkeling in de praktijk, kruisbestuivend overleg en aansturing van projectingenieurs en architecten, interactie met uitvoerders, technologiebedrijven, wetenschappers en het beleid."

"Energetische duurzaamheid bedt zich in onze regelgeving in met een ongeziene mutatiesnelheid. Moeilijk is het voor het gebouw om hoewel ambitieus ontworpen toch nog fier en actueel te zijn bij zijn opening. En het gebouw op zich, nu de eisenpakketten hoge toppen scheren, dat verliest wat aan focus. Het moet zich immers stilaan ook goed gedragen in een energetische cluster van de bebouwde omgeving. Niet al te hard sakkeren op de mogelijks minder degelijke aanleg van het pad dat we nu bewandelen, daar is inderdaad permanent bijwerking vereist, maar vooral erover waken dat het ons naar onze bestemming brengt, aan de horizon van het energielandschap.

Een jaar vol was 2014 wel, in dit energietransitie-decennium. Het ligt er samen met 2015 ook midden in. Voor mij was het bijzonder boeiend, en de duurzaamheidsambitie blijft bijzonder intens inspireren in het dagdagelijkse werk van conceptontwikkeling in de praktijk, kruisbestuivend overleg en aansturing van projectingenieurs en architecten, interactie met uitvoerders, technologiebedrijven, wetenschappers en het beleid. Maar vooral van belang en voldoening gevend is het samenspel inzake kennis, kunde en visie met de studenten en jong-afgestudeerden. Zij dragen het verleden niet met zich mee als een remmend blok, zij kennen vooral de vraagstukken van het heden en vertalen die gedreven naar hun toekomst. 

Maar op zijn minst, in de planning van dit generatie overschrijdend project, hadden wij nu ongeveer consensus over beweegredenen, krijtlijnen en globale doelstellingen moeten  gedefinieerd hebben, een programma van eisen, of nog liever een schetsontwerp klaar voor verdere stappen. Het begrijpen van de vraag is het halve antwoord, is me door menig leraar van weleer duidelijk gemaakt. En in het correct formuleren van die vraag hebben we wat turbulenties gekend, en zijn we al dan niet gehavend geland. De bagage in het ruim volledig in chaos. Het zal nog wat tijd vergen vooraleer eenieder zijn juiste weg met de juiste bagage kan verderzetten.

Waar wilden we weer naartoe? Juist, een schone leefomgeving met zuivere buitenlucht. Ook wel naar een gevoel van veiligheid, zowel wat risico's van energiecentrales betreft, als wat betreft bedrijfszekerheid van onze energie-slagaders. Naar autonomie, het onafhankelijk zijn van schijnbaar verre maar verdorie voelbare wereldconflicten. Als het even kan graag ook de opwarming van de aarde wat minder begunstigen, of kan dit (hoog)tij misschien zelfs nog worden gekeerd? Of moet eerst de hele wereld hierrond een consensus bereiken vooraleer eenieder resoluut bereid is verdere stappen te zetten, het lijkt er soms eens bangelijk sterk op. En het financiële plaatje van die operatie moet al de vereiste maatregelen nog eens duidelijk verantwoorden uiteraard, en nu focus ik terug op onze gebouwen, mijn excuses voor het afdwalen. Dit verantwoorden dient dan strikt te gebeuren volgens financiële berekeningsmodellen die nuchter bij de les blijven en zelden of nooit vooruit kijken. Elke stap moet zichzelf in harde valuta terugbetalen, uiteraard zo snel mogelijk en bijgevolg kostoptimaal. Harde valuta, allicht staat valuta voor waarden? Of enkel voor centen, zoals wij soms tergend beperkend met het begrip om gaan? Misschien eens aankloppen bij beleidsmensen die het latijn beter beheersen dan mezelf. Harde waarden, harde werkelijkheid...naakte waarheid.

Concreet, we weten wat gedaan sinds dit jaar. We streven naar onze bijna energie-neutrale BEN gebouwen, gedefinieerd vanuit onze welbekende, maar toch niet onterecht veelbesproken E peil berekening, en leggen onszelf daar een ambitieus maar weerom kost-optimaal streefdoel op naar pakweg 2020 toe. Aanvullend hebben we de verplichting een minimum aandeel hernieuwbare opwekking te koppelen aan ons nieuwbouwproject ingevoerd.

Een eenvoudige regelgevende vertaling, eenvoud is uiteraard ook nodig opdat iedereen het zou begrijpen, die evenwel riskeert door de marktwerking in kostoptimale standaardconcepten (stevig geïsoleerde PV gebouwen) te worden omgezet die ons eigenlijke doel als collectief geheel nooit zullen behalen. Het begint stilaan algemeen te dagen dat de werkelijkheid veel complexer en dynamischer is. Dat zon noch wind programmeerbaar is,  dat wij ons samen of individueel, bij voorkeur dat eerste, flexibel zullen moeten gedragen ten opzichte van het niet fossiele energieaanbod.

We moeten vooruitdenkend bouwen, kijken hoe gebouwen door hun geïntegreerd concept zullen kunnen bijdragen aan een collectieve flexibiliteit, waardevol zullen kunnen zijn als flexibele teamspeler. En wees gerust, dat waardevol zijn zal zich op termijn vertalen in valuta, in centen, ook al duurt het nog even. Vergeet niet dat ons gebouw er toch ook zeker een 50-tal jaar zal staan, indien niet langer.

Het smart grid (het slimme elektrische net) begint stilaan bij ons, uiteraard wat trager dan de Europese voorlopers, zijn eerste stapjes te zetten (sorry, maar ik vind dat we echt wel meer in onze mars moeten durven hebben). De bedenkingen omtrent de nood aan afschakelingsplannen maken die stapjes meteen wat ernstiger. Ook het warmtenetverhaal wordt eindelijk (terecht in onze druk bebouwde regio als je het mij vraagt) in wijkconcepten mee geëvalueerd, weliswaar schoorvoetend, want het is nauwelijks voelbaar beantwoordend aan onze korte termijn benadering.

Beide concepten vragen kennis  van en indien mogelijk impact op het dynamisch gedrag van de energievraag van onze gebouwen en de mate van de overeenstemming met het energieaanbod op dat ogenblik, en hoe dat aanbod net dan het efficiëntst of duurzaamst kan worden ingevuld. Want dat laatste is dan ook wel de hoogstnoodzakelijke  kern en bestaansreden van het net-verhaal.

Beide collectief voorbeeldige concepten kijken veel, heel veel verder dan het scenario samengesteld uit vele duizenden ‘passiefhuisje-tuintje-PV paneel’ projecten. Maar beide concepten vragen ook veel meer van onze kennisinstellingen en –bedrijven dan voorheen om hun potentieel effectief gerealiseerd te zien. Beide vragen immers een dynamische benadering van gebouwen als energievragers, in ontwerp en in aansturing. Dit is  slechts goed te vatten door het gebruik van dynamische simulaties, een tool die intensief door onderzoekers maar in de praktijk door ontwerpers nog te weinig en te weinig doelgericht wordt aangewend. De waarde van het gebouw als een stukje thermische of elektrische buffer, een stukje batterij dat ter beschikking staat integreren in de ontwerp- en investeringsaanpak is toch vernieuwend, allesbehalve eenvoudig en is momenteel nauwelijks reeds te becijferen in economische of regelgevende ‘voor iedereen begrijpbare’ benaderingen.  

Als ons gebouwenbestand steeds minder energievraag zal vertonen, wat niet mis te verstaan wel  duidelijk de bedoeling blijft, dan veranderen bovendien wederom de parameters in de economische berekening van kostoptimaliteit. Laat ons dus niet rekenen, niet al te veel vertrouwen op enigszins te beperkte economische benaderingsmodellen die allesbehalve alle waarden meenemen. Laat ons, met de blik onlosmakelijk op wat we willen bereiken aan het eind van de rit, met de afweging van wat we werkelijk hebben en over hebben om dat te bereiken, en bewust van de nodige inzet van kennis en middelen een zo efficiënt mogelijk pad naar ons doel uitstippelen.

Collectief, beleidsmatig aangestuurd en generatie-overschrijdend strategisch moet het zijn, dit pad.

We volgen bij het ontwerp van een renovatie of een nieuwbouw dus min of meer verder gedwee de krijtlijnen naar 2020. Maar in ons achterhoofd denken we reeds veel verder, veel ruimer, want iedere architect koestert de gedachte, mag ik aannemen, dat zijn creaties ook door de volgende generaties zullen gezien worden als visionair, hun tijd vooruit. We zien waarde in reversibiliteit, of toekomstige aanpasbaarheid van het gebouw, wanneer de uitrol van schone energie zijn intrede doet. Integreren we de quick-win oplossingen nu reeds in ons gebouw en ons budget, of beter eerst die zaken die later niet meer eenvoudig kunnen worden ingebouwd of toegevoegd? En op het vlak van stedenbouwkundige vraagstukken, nemen we de onderlinge situering van de gebouwfuncties en hun energieverdeelinfrastructuur mee als een oplosbaar, of als een optimaliseerbaar aspect?

Meer dan ooit is in het ontwerpen en renoveren van ons gebouwenbestand aandacht te schenken aan de waarheid van een wijze, reeds lang geleden geformuleerd: "In der Beschränkung zeigt sich erst der meister" (J.W. von Goethe)."