COLUMN. Heropening van het LaM in Villeneuve‑d’Ascq - deel 1/3 (Alexis Versele)
In februari 2026 heropende het gerenoveerde LaM (Lille Métropole Musée d’Art Moderne, d’Art Contemporain et d’Art Brut) in Villeneuve‑d’Ascq. Het LaM staat bekend als een toonaangevend museum in Noord-Frankrijk dat moderne kunst, hedendaagse kunst en art brut verenigt, omgeven door een beeldenpark.
Het museum werd voor het eerst geopend in 1983 als het “Musée d’Art moderne de Villeneuve-d’Ascq” om de schenking van Jean Masurel en de verzameling van Roger Dutilleul onder te brengen, visionaire verzamelaars van onder meer Picasso, Modigliani en Miró. In 1978 werd de wedstrijd voor de bouw van het museum gewonnen door Roland Simounet, een architect die sterk beïnvloed was door Le Corbusier. Het bakstenen gebouw dat hij ontwierp is streng, discreet en doet wat mediterraans aan.
In 1999 werd, na een wedstrijd, architecte Manuelle Gautrand geselecteerd om de uitbreiding te ontwerpen die de collectie art brut van de vereniging L’Aracine zou huisvesten. Na de uitbreiding heropende het museum in 2010. Het kreeg zijn nieuwe naam: het LaM. Met deze uitbreiding beslaat het museum voortaan een totale oppervlakte van 11.000 m², waarvan 4.000 m² tentoonstellingsruimte. Het LaM biedt vandaag een overzicht van moderne, hedendaagse en art brut-kunst.
Het LaM sloot eind september 2024 tijdelijk de deuren voor de renovatie van de museumgebouwen en de herstructurering van bepaalde binnenruimtes. Deze ingrepen hadden tot doel het onthaal en het bezoekcomfort voor het publiek te verbeteren, evenals de toegankelijkheid en zichtbaarheid van het museum en zijn tuin, en de energetische optimalisatie van de gebouwen. De renovatiewerken beantwoorden tevens aan de erfgoedwaarde die verbonden is aan sterke typologie. Zo werden onder meer de 98 glaspartijen van het gebouw van Roland Simounet identiek vervangen om de thermische isolatie te verbeteren en, door UV‑filtering, de preventieve conservering van de kunstwerken te optimaliseren.
Naar aanleiding van de heropening van het LaM (Lille Métropole Musée d’Art Moderne, d’Art Contemporain et d’Art Brut) in Villeneuve‑d’Ascq loopt er, in samenwerking met het Centre Pompidou, tot 14 juni 2026 een grote overzichtstentoonstelling gewijd aan het werk van Wassily Kandinsky. Bezoekers kunnen er voor het eerst een ruime selectie van Kandinsky’s persoonlijke archieven ontdekken. Deze documenten onthullen de innerlijke wereld van zijn kunstenaarschap en bieden een vernieuwende blik op de ontstaansgeschiedenis van zijn abstracte kunst.
Het leven van Wassily Kandinsky, geboren in Moskou binnen de Russisch‑Byzantijns‑orthodoxe traditie, werd diep getekend door de turbulentie van zijn tijd. Oorlog en politieke omwentelingen — van de Eerste Wereldoorlog tot de opkomst van Lenin en later nazi‑Duitsland — dwongen hem tot een voortdurende migratie tussen Rusland, Duitsland en Frankrijk. Hij belichaamt als het ware een kunst die ontstaat in een disruptief tijdsgewricht: een periode van moord, geweld, haat, vijandschap, egoïsme, afgunst en de daarmee gepaard gaande migratiebewegingen. In deze turbulente context ontwikkelt Kandinsky een kunst die doordrongen is van een “harmonie van tegenstellingen en contradicties”. Voor Kandinsky, die vanaf 1910 talrijke composities creëert rond het Bijbelse visioen van het Laatste Oordeel, belichaamt de Apocalyps de hoop op een wereld die door kunst wordt getransformeerd.
Kandinsky werd geboren in 1866 te Moskou, in een cultureel ontwikkelde familie uit de hogere burgerij. In 1871 verhuisde het gezin naar Odessa, waar zijn tante hem introduceerde in tekenen en schilderen. Hij leerde er ook piano en cello spelen. In 1886 begon hij aan de universiteit van Moskou aan studies rechten en economie. In het kader van die opleiding reisde hij naar de noordelijke Russische provincie Vologda, waar hij diep onder de indruk raakte van de lokale volkskunst, die later een invloed zou hebben op zijn beeldtaal. In 1896 maakte Kandinsky een radicale carrièreswitch: hij besloot zijn leven volledig aan de kunst te wijden. Hij verliet Rusland en vestigde zich in München, dat op dat moment een bruisend centrum van avant-gardekunst was.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 verliet hij Duitsland en trok eerst naar het neutrale Zwitserland, om vervolgens terug te keren naar Moskou. De Russische Revolutie van 1917 bracht aanvankelijk hoop op culturele vernieuwing. De bolsjewieken hadden nood aan een nieuwe, revolutionaire beeldtaal die brak met het tsaristische verleden. Avant-gardisten – onder wie futuristen en constructivisten – zagen zichzelf als de artistieke voorhoede van de revolutie. Lenin, die in eerste instantie openstond voor het ontluikende futurisme, stimuleerde de oprichting van VKhUTEMAS, een praktijkgerichte kunst- en ontwerpopleiding die kunst wilde integreren in de industriële productie en wordt beschouwd als de Sovjet-tegenhanger van het Duitse Bauhaus.
Kandinsky’s theoretische onderzoek leidde ertoe dat hij directeur werd van het in Moskou gevestigde Russische Instituut voor Artistieke Cultuur (INKhUK), nauw verbonden met VKhUTEMAS maar met een meer theoretische en onderzoeksgerichte benadering. Het instituut werd opgericht in 1920 en bleef actief tot 1924.
Lenin raakte echter al snel gedesillusioneerd door de avant-garde. Hij vond haar te abstract, te moeilijk voor de arbeidersmassa en politiek onbetrouwbaar. Na de Russische burgeroorlog (1917–1922) pleitte hij voor een kunst die begrijpelijk en bruikbaar was, ver weg van de abstractie. In 1921 verliet Kandinsky Rusland opnieuw: hij kon zich niet langer vinden in het steeds strakker ideologisch gecontroleerde culturele klimaat van de jonge Sovjetstaat, waarin kunst in dienst moest staan van de revolutie. Zijn spirituele, abstracte zoektocht paste niet in dat kader.
In 1922 werd Kandinsky door Walter Gropius uitgenodigd om les te geven aan het Bauhaus in Weimar, opgericht in 1919 en bekend om zijn vernieuwende benadering waarin kunst, ambacht en techniek werden samengebracht. Kandinsky groeide er uit tot één van de sleutelfiguren.
Van 1925 tot 1932 verhuisde het Bauhaus – onder maatschappelijke, politieke en financiële druk – naar Dessau, waar de school zich verder ontwikkelde met een sterkere nadruk op functionalisme en industriële productie. Deze periode geldt vaak als de hoogtijdagen van het Bauhaus. De laatste fase vond plaats in Berlijn (1932–1933), onder leiding van Ludwig Mies van der Rohe, maar werd gekenmerkt door toenemende politieke druk. Met de opkomst van het nationaalsocialisme werd het Bauhaus bestempeld als “entartete Kunst”, een bedreiging voor de nazi‑ideologie, wat uiteindelijk leidde tot de sluiting van de school.
De machtsgreep van de nazi’s in 1933 veroorzaakte een ongeziene gedwongen migratie van honderden kunstenaars. Sommigen, zoals Kandinsky, Beckmann, Heartfield, Schwitters en Kokoschka, zochten hun toevlucht in Parijs, Londen of Amsterdam. Anderen – onder wie Léger, Ernst, Chagall, Gropius en Mies van der Rohe – vluchtten naar de Verenigde Staten. Voor al deze kunstenaars werden de jaren in ballingschap cruciaal voor de verdere ontwikkeling van hun oeuvre.
Kandinsky vestigde zich in Neuilly‑sur‑Seine, nabij Parijs, waar hij een nieuwe en bijzonder vruchtbare fase van zijn carrière begon.
Parallel aan zijn omvangrijke schilderkundige, grafische, poëtische en scenografische oeuvre ontwikkelde Kandinsky een levenslange theoretische zoektocht, die vandaag wordt erkend als een van de meest invloedrijke bijdragen aan de internationale kunstwereld. Hij publiceerde eind 1911 in München het eerste grote manifest van de abstracte kunst Über das Geistige in der Kunst. Voor Kandinsky betekende abstractie het overstijgen van de uiterlijke verschijningsvorm van de dingen, zoals die in de natuur zichtbaar zijn. Hij zocht naar de innerlijke kracht van een schilderij. Volgens hem kan het innerlijke slechts worden geraakt wanneer men voorbijgaat aan het anekdotische en het verhalende – elementen die hij goed kende uit de Russische volkskunst en de sprookjeswereld die hem mee hadden gevormd.
Alexis Versele is architect, gastprofessor en lid van de onderzoeksgroep Bouwfysica en Duurzaam Bouwen aan de KU Leuven. Deze column is de eerste van een driedelige reeks.