OPINIE ‘Rome of Las Vegas? Trumps strijd om het beeld van Amerika’ (Cente Van Hout)
Architect Cente Van Hout staat stil bij de plannen van Donald Trump voor een triomfboog en nieuwe balzaal bij het Witte Huis.
Terwijl het begin van 2026 wordt overschaduwd door geopolitieke conflicten, van de arrestatie van Nicolás Maduro tot nieuwe Amerikaanse druk rond strategische gebieden als Groenland, bouwt Donald Trump op de achtergrond gestaag aan een ander front: het beeld van Amerika zelf. Zo verklaarde hij dat de bouw van een monumentale triomfboog in Washington, ter ere van 250 jaar Verenigde Staten, al binnen twee maanden kan starten.
In dezelfde beweging werden in de eerste week van dit jaar de officiële plannen voorgesteld voor een nieuwe, megalomane balzaal aan het Witte Huis, een project dat intussen niet alleen de East Wing vervangt, maar ook de West Wing in het vizier neemt.
Trump wil de federale architectuur opnieuw laten aansluiten bij wat hij ziet als een klassieke continuïteit met Athene en Rome, waarin openbare gebouwen de waardigheid, stabiliteit en morele verhevenheid van de natie moeten uitstralen.
Via het presidentiële decreet Making Federal Architecture Beautiful Again wordt klassieke vormentaal niet alleen als esthetische voorkeur benoemd, maar ook juridisch en procedureel vastgelegd als voorkeursnorm binnen het federale bouwbeleid. Het decreet zet zo moderne architectuur neer als een stijl die vooral de architectonische elite aanspreekt en onvoldoende aansluiting vindt bij het brede publiek. Door afwijkingen expliciet te onderwerpen aan presidentiële kennisgeving en uitgebreide verantwoording, maakt het decreet moderne architectuur beleidsmatig vrijwel onmogelijk.
Die afwijzing van moderne architectuur staat niet op zichzelf. Ook bij ons wordt architectuur steeds vaker ingezet als cultureel strijdtoneel. In Hongarije laat Viktor Orbán historische paleizen herbouwen die eerder ideologische reconstructies zijn dan zorgvuldig bewaard erfgoed. In het Verenigd Koninkrijk en Nederland klinkt vanuit conservatieve en radicaal-rechtse hoek vergelijkbare kritiek, waarbij hedendaagse architectuur wordt voorgesteld als teken van culturele ontworteling. Thierry Baudet keert zich in dat kader herhaaldelijk tegen moderne bouwstijlen, die hij als lelijk en vervreemdend afzet tegen een veronderstelde Europese beschavingstraditie die volgens hem door modernisme en beleidskeuzes is ondermijnd.
Historisch gezien is deze afwijzing van hedendaagse architectuur allesbehalve nieuw. Doorheen de geschiedenis werden gebouwen die wij vandaag als nationale iconen beschouwen, in hun eigen tijd fel bestreden omdat ze te radicaal, te afwijkend of te eigentijds waren. De Eiffeltoren werd door Parijse kunstenaars en intellectuelen weggezet als een “metalen schandpaal” die de stad voorgoed zou verminken. Gotische kathedralen, technologische en ruimtelijke hoogstandjes, werden door renaissancegeleerden verguisd omdat ze afweken van wat zij als de zuivere Romeinse canon zagen. De 19de-eeuwse criticus John Ruskin herkende dit patroon en waarschuwde voor het gevaar van nostalgie als bouwprincipe. Architectuur, stelde hij, verliest haar kracht zodra ze ophoudt een uitdrukking van haar eigen tijd te zijn. Hij keerde zich daarmee niet tegen traditie, maar tegen het krampachtig kopiëren van het verleden als vlucht voor het heden.
Ook de hunkering naar een geïdealiseerd verleden in de architectuur is niet nieuw. In de veertiende eeuw leefde Europa in een tijd die men als verloren en versnipperd ervoer, getekend door politieke instabiliteit, economische crisis, epidemieën en oorlog. De orde en grandeur van het Romeinse Rijk fungeerden toen als romantisch voorgesteld houvast. Men voelde fantoompijn over een periode van vermeende eenheid en culturele helderheid die voorgoed voorbij leek. Die hunkering deed de renaissance ontvlammen. Maar Michelangelo, Bramante en Brunelleschi kozen niet voor restauratie of imitatie. Ze gebruikten klassieke proporties en motieven als springplank voor radicale innovatie. De koepel van de Santa Maria del Fiore in Florence of de constructies van de Sint Pieter waren technologische en artistieke vernieuwingen die in de antieke wereld ondenkbaar waren. De renaissance was geen nostalgisch tableau vivant maar een culturele motor die vooruit wilde, door het verleden te transformeren, niet te reproduceren.
Gedurende de negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw bouwden ook de Verenigde Staten binnen een logica waarin verwijzing naar het verleden hand in hand ging met technische en vormelijke vernieuwing. Zo grijpt het Washington Monument weliswaar terug naar de antieke obelisk, maar was het allesbehalve een kopie. Met zijn 555 voet werd het in 1884 het hoogste bouwwerk ter wereld, mogelijk gemaakt door nieuwe funderingstechnieken, precisie-steenbewerking en een schaal die in de oudheid onmogelijk was. Die benadering komt nog duidelijker tot uiting in de Gateway Arch in St. Louis, voltooid in 1965.
Op het eerste gezicht roept het monument de klassieke triomfboog op, maar in plaats van die vorm te herhalen, wordt het onderliggende idee radicaal heruitgevonden. De twintigste eeuw liet echter ook zien hoe zulke historische verwijzingen een andere, meer instrumentele wending konden nemen. In nazi-Duitsland introduceerde Albert Speer het Ruinenwert-prinzip, waarbij gebouwen werden ontworpen als toekomstige ruïnes die een mythisch verleden moesten suggereren. Architectuur werd er zo niet langer ingezet om haar eigen tijd vorm te geven, maar om een fictieve oorsprong te ensceneren, decorpolitiek in haar meest dwingende vorm.
Waar de renaissance en ook de grote Amerikaanse monumenten het klassieke vocabulaire gebruikten als vertrekpunt voor technische en artistieke vernieuwing, herleidt Trumps architectuurprogramma die traditie tot een louter visueel symbool. Zijn voorstel voor een triomfboog, gepland op het rondpunt vlak voor het Lincoln Memorial, past volledig in die logica. In tegenstelling tot de Parijse Arc de Triomphe, een technisch en politiek experiment in zijn tijd, heeft zo’n boog vandaag nauwelijks nog constructieve betekenis. Dankzij digitale modellering, staalstructuren en industriële prefabricatie is het optrekken ervan geen uitdaging meer, maar een budgettaire afweging. De Arc de Trump is daarom geen erfgenaam van Parijs, maar een spiegel van de Las Vegas Strip.
Hoewel Trumps architectuurbeleid vooral decor produceert, speelt het wel in op een reële frustratie. Zijn kritiek op moderne architectuur, die er volgens hem te vaak niet in slaagt om herkenbare structuren, geborgenheid en publieke betekenis te bieden, resoneert bij een breed publiek. Veel Amerikaanse steden zijn de voorbije decennia gevormd door marktlogica en functionele efficiëntie, waardoor ruimtelijke kwaliteit en menselijke maat naar de achtergrond verdwenen. In zo’n context wordt nostalgie geen vrijblijvende esthetische keuze, maar een emotionele schuilplaats.
Toch leert de architectuurgeschiedenis dat nostalgie pas gevaarlijk wordt wanneer ze verandert in imitatie en politiek decor. Zodra architectuur ophoudt een taal van vooruitgang te zijn en louter symboolpolitiek wordt, verliest ze haar vermogen om een samenleving richting te geven. Maar hetzelfde verleden dat vandaag wordt gerecupereerd om muren op te trekken, kan even goed dienen als katalysator voor nieuwe verbeelding.
De echte vraag is dus niet of we klassieke of moderne architectuur moeten bouwen, maar of we gebouwen willen die ons verleden naspelen of onze toekomst mee vormgeven. Een democratie die durft te bouwen aan iets nieuws, triomfeert. Een democratie die imiteert, Trumpeert.
Cente Van Hout is architect met focus op publieke gebouwen en essayist. Hij is laureaat van de Godecharleprijs voor Architectuur. Dit opiniestuk verscheen eerder op Knack.be.