Doorzoek volledige site
10 augustus 2017 | FILIP CANFYN

Opinie Filip Canfyn: Dé omzendbrief

Illustratie | Pexels - Markus Spiske

"Heeft een particulier belang voorrang op een algemeen belang? Zo neen, hoe moet omgegaan worden met een ondergeschikt particulier belang? De antwoorden op deze dubbele vraag zijn relevant voor de inschatting van de omzendbrief RO 2017/01 (7 juli 2017), “Een gedifferentieerd ruimtelijk transformatiebeleid in de bebouwde en de onbebouwde gebieden. " Filip Canfyn houdt het document tegen het licht. 

De bevoegde minister (de naam doet er niet toe) wil met deze omzendbrief als instrument een kwalitatief ruimtelijk rendement binnen bebouwde gebieden realiseren en onbebouwde gebieden vrijwaren en versterken. Zo’n ambitieuze doelstelling vraagt dat de gànse omzendbrief gelezen wordt. De bliksemsnelle protesten van de lobbyisten van verkavelingsvlaanderen doen immers vermoeden dat zij ofwel domweg schieten op alles wat ruimtelijk beweegt ofwel zeer goed begrepen hebben dat de logica van de omzendbrief een gevaar betekent voor hun geliefd ruimtelijk status quo.

 

SITUERING

De omzendbrief vertrekt van een aantal premissen.

We moeten ruimtelijk meer en beter doen met minder. We moeten vaststellen dat de traditionele ruimtelijke toelatings- en verbodspolitiek onefficiënt gewerkt heeft en dat de ruimtelijke processen daarom de voorkeur moeten krijgen op ruimtelijke procedures. We moeten het groeipotentieel van de bebouwde gebieden benutten en dus een ruimtelijke dynamiek geven maar we moeten de onbebouwde gebieden inzetten voor biodiversiteit, waterbeheer, groenwaarden, voedselproductie, recreatie, energiewinning, … We moeten het kwalitatief ruimtelijk rendement invoeren als toetsingsgrond voor aanvragen tot ruimtelijke transformaties.

Met deze premissen is niets mis. Integendeel.

 

BEGRIPPEN

Wat is nu zo’n ‘bebouwd gebied’? De omzendbrief definieert dit als een voldoende compact en samenhangend geheel van gebouwen voor wonen en werken en van infrastructuren, een geheel, dat duidelijk identificeerbaar is in de ruimte en dat een hoge leefkwaliteit biedt door de link met maatschappelijke functies. Tot het bebouwd gebied horen ook de ondersteunende groene ruimten binnen dat gebied. Bebouwde gebieden zijn dus in essentie enerzijds stedelijke gebieden, kernen, woonconcentraties en anderzijds bedrijventerreinen.

Onbebouwde gebieden zijn nu ook duidelijk definieerbaar als àlle gebieden buiten de bebouwde gebieden.

De premissen leiden tot het beleidsmatig uitgangspunt dat nieuwe ruimtebehoevende maatschappelijke ontwikkelingen (letterlijk) een plaats moeten krijgen binnen de bebouwde gebieden, dus niet in de onbebouwde gebieden. Binnen de bebouwde gebieden moet daarom het ruimtelijk rendement kwalitatief verhoogd worden door een gerichte combinatie van intensivering, verweving, meervoudig en tijdelijk ruimtegebruik, … in functie van een beter of hernieuwd gebruik van reeds in gebruik genomen ruimte.

Met deze begrippen is weeral niets mis. Integendeel.

 

MAATREGELEN VOOR BEBOUWDE GEBIEDEN

Wat zijn nu de praktische gevolgen van deze premissen voor de bebouwde gebieden?

Ruimtelijke ingrepen in bebouwde gebieden moeten zichzelf niet verantwoorden met behoefte- of voorzieningenstudies en andere procedures, die de transformatie- of vernieuwingsprocessen kunnen belemmeren, voor zover natuurlijk niet ingeboet wordt op de zorgvuldigheidsplicht. Meer nog, ruimtelijke handelingen van algemeen belang krijgen een regelluw kader, waarbij abstractie kan gemaakt worden van vigerende stedenbouwkundige voorschriften. Voorwaarde is wel dat de betrokken handelingen kaderen in een ruimtelijk wenselijke dynamiek en een ruimtelijk beperkte impact hebben (ze leggen geen significante druk op de omgeving, ze passen binnen een onderschreven masterplan, ze veroorzaken geen hinder, …)

Met deze maatregelen is opnieuw niets mis. Integendeel.

 

MAATREGELEN VOOR ONBEBOUWDE GEBIEDEN

Wat zijn nu de praktische gevolgen van dezelfde premissen voor de onbebouwde gebieden?

Hier moeten ruimtelijke ingrepen zichzelf wél verantwoorden. Van deze ingrepen moeten de ruimtelijke draagkracht, de consequenties voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen onderzocht worden. Deze ingrepen moeten afgestemd worden op actuele inzichten inzake maatschappelijke behoeften, voorzieningen en aansluitingen op verkeersknooppunten.

Met andere woorden, nieuwe ontwikkelingen voor bijkomende woon- of werkfuncties in onbebouwde gebieden zijn maar mogelijk mits een grondig onderbouwde behoefte- en voorzieningenstudie, wat de vigerende bestemmingsvoorschriften ook mogen zijn. De behoefte aan een nieuwe ontwikkeling in onbebouwd gebied én de onmogelijkheid om in dezelfde behoefte in bebouwd gebied te voorzien moeten bewezen worden.

Met deze maatregelen is tenslotte ook niets mis. Echter, het mag niet verwonderen dat de lobbyisten van verkavelingsvlaanderen steigerden nu de onbebouwde zone niet meer vogelvrij verklaard kan worden.

 

 

COMMENTAAR

Terug naar de inleidende vraag over algemeen en particulier belang.

Eén, het prevaleren van het algemeen belang lijkt voor een samenleving een verdedigbare werkhypothese, die wellicht door een ruime meerderheid zal goedgekeurd worden.

Twee, al moeilijker wordt het om het ruimtelijk belang, het belang van hoe omgegaan wordt met de eindige ruimte, met een even grote consensus onder het algemeen belang te katalogeren. Dat algemeen ruimtelijk belang komt immers in conflict met particuliere ruimtelijke belangen sinds de ruimte historisch voor een groot deel geprivatiseerd werd. Die particuliere ruimtelijke belangen worden door hun verdedigers gemakshalve omschreven als het eigendomsrecht en het (be)bouw(ings)recht.

Een conflict tussen algemeen en particulier ruimtelijk belang kan op twee manieren worden aangepakt. Ofwel wordt het particulier belang primordiaal, ten nadele van het algemeen belang. Het conflict lost dan zichzelf op omdat het particulier belang wint. Die praktijk heeft tot nu toe gezegevierd, met de huidige ruimtelijke overconsumptie en dispersie, naast de problemen met energie en mobiliteit, tot gevolg. Ofwel wordt, conform de logica van de betonstop en dus ook van de omzendbrief, de pikorde omgedraaid: het algemeen belang gaat voor op het particulier belang, het particulier belang moet zich inschrijven binnen het algemeen belang, om evidente redenen.

Echter, met die tweede aanpak wordt openlijk de oorlog verklaard aan de grondslagen van verkavelingsvlaanderen want het status quo ten voordele van het particulier belang van eigenaars en bouwers wordt onderuit gehaald. Het particulier belang verliest immers zijn onschendbaarheid, zijn onbetwistbaarheid, zijn onfeilbaarheid en het conflict dreigt een perpetuum mobile te worden.

Een praktische uitweg voor dit mogelijks continu conflict is het compenseren van het (zogenaamd) verlies van het particulier belang, indien nodig. Inderdaad, eerlijkheidshalve moet gesteld worden dat het eigendomsrecht en het bebouwingsrecht voor de betrokken particulieren geen ultieme doelen op zich zijn. Het eigenaar blijven van een lap grond of het mogen bouwen op die lap grond zijn niet de finaliteit van die twee rechten, de ware finaliteit is de economische valorisatie van die rechten, is de realisatie van een financiële meerwaarde van die rechten.

Het is dan ook opportuun het eigendoms- en bebouwingsrecht in onbebouwde gebieden af te kopen met een compensatiebedrag zodat effectief bouwen niét de enige manier blijft om die rechten te valoriseren. Wanneer het particulier belang niet meer gehonoreerd kan worden ten nadele van het algemeen belang mag dat iets kosten.

De tegenaanval van de lobbyisten van verkavelingsvlaanderen oogde zoals te verwachten virulent. De klassieke argumenten werden weer bovengehaald.

Primo, de wispelturigheid van het beleid werd scherp veroordeeld. Pacta servanda sunt en nieuwe spelregels kunnen niet zomaar opgelegd worden. De bevoegde minister beweerde dat bestaande spelregels slechts een interpretatie kregen in de omzendbrief. Beide partijen vermeden in elk geval de basisdiscussie over de primordialiteit van het algemeen belang.

Secundo, de (vermeende) schending van het eigendoms- en bebouwingsrecht werd nog scherper veroordeeld. Met het failliet van de boskaart (°) vers in het geheugen werd opnieuw geprobeerd een aanzet van de betonstoplogica politiek onmogelijk te maken.

En in die laatste demarche schuilt wellicht de essentie van het protest. Zou het niet kunnen, zelfs indien de minister onbewust met de omzendbrief een operationele vertaling van de betonstoplogica zou geschreven hebben, dat dezelfde minister bewust de compensatie van de particuliere rechten niét besproken heeft? Dat de minister op die manier nogmaals de copernicaanse ommekeer van de ruimtelijke ordening in de kiem smoorde dankzij het georchestreerde boegeroep vanuit verkavelingsvlaanderen?

 

 

 

(°) Over die boskaart heb ik, voor een ander medium, onderstaand fragment geschreven:

Wanneer een minister wat bos kan genoemd worden op een kaart wil vastleggen, als eerste stap om ooit eens géén nieuwe open ruimte meer aan te snijden, dan gaan de poppen stante pede aan het dansen. Een kleine groep verongelijkte kavelbezitters en een spijtige bende domme fouten worden uitvergroot door burgemeesters en werkgeversclubs, die de zogenaamde kaakslag voor de hardwerkende Vlaming en hun eigen agenda handig vermengen, ten koste van de boskaart.  Niet omwille van een dispuut rond collectieve ecologie of ruimte maar wel omwille van een behartiging van particuliere electorale of economische nevenschade.

Hoezeer ook geroepen wordt voor de kracht van verandering, elk draagvlak van verandering vergruizelt zodra de suburbane middenklasse denkt pijn te zullen hebben. Elke bestuurlijke daad of elk politiek ballonnetje krijgt als lakmoesproef de perceptie van de middenklasse. Dat geldt ook voor de boskaart. Wat als de stem van de middenklasse beschouwd wordt slaagt er zelfs bliksemsnel in om de boskaart te herdefiniëren als een flagrante aanval op het eigendomsrecht en het bouwrecht van de hardwerkende Vlaming, omwille van onbestaande bossen. Er wordt dus een middenklasseprobleem in kaart gebracht, dat dan ook in de vuilbak moet verdwijnen.

Deze nerveuze euthanasie belooft niet veel goeds voor elke volgende poging om ons tegen 2040 goede ruimtelijke manieren aan te leren.”