Doorzoek volledige site
15 mei 2018 | FILIP CANFYN

Steen & Been: Ferm

Illustratie | Wikimedia Commons

De fermette is out, stond onlangs in de kranten te lezen. Dat is ook onze huiscolumnist niet ontgaan. Een goede zaak, dixit Canfyn, want “van een gedemodeerde namaakhoeve kan je geen strak huis maken, laat staan een energievriendelijk of comfortabel huis, zonder je blauw te investeren.”

Die krantenkop ook gezien? “Het is fini voor de fermette”. Het blijkt dat fermettes niet meer gebouwd worden maar ook niet meer verkocht worden. Inderdaad, de eigenaars van dat sinds de jaren zeventig populaire woonideaal raken hun vermeende pensioenkas niet meer kwijt aan de straatstenen. Je kan van een gedemodeerde namaakhoeve geen strak huis maken, laat staan een energievriendelijk of comfortabel huis zonder je blauw te investeren. Uitgerangeerd en waardeloos, punt.

Ik ben hier blij om, echter zonder leedvermaak. De fermette was altijd al een makkelijk slachtoffer voor critici en cynici omwille van die vieze rustieke nasmaak. Karrewielhumor, zeg maar. Ikzelf kromp eerder ineen van plaatsvervangende schaamte. Elke fermette is immers ooit ‘getekend’ en/of ‘ondertekend’ door een architect. Om welke reden dan ook. In opdracht van wie ook, onder druk van wie ook, voor de lieve centen van wie ook, …, elke fermette is ooit ‘getekend’ en/of ‘ondertekend’ door een architect. Tenenkrommend maar eigenlijk niet belangrijk. Belangrijker voor mij was altijd de connotatie, de semantiek van de fermette.
 

"De fermette was altijd al een makkelijk slachtoffer voor critici en cynici omwille van die vieze rustieke nasmaak. Karrewielhumor, zeg maar. Ikzelf kromp eerder ineen van plaatsvervangende schaamte. Elke fermette is immers ooit ‘getekend’ en/of ‘ondertekend’ door een architect."


In het onvolprezen prettig boekje ‘Kleine Vlaamse mythologieën’ (Het Balanseer, 2014) van drie cultuurwetenschappers (!), Baetens, Van Haesebrouck en Van Maele, staat tussen andere rake beschouwingen deze zin: “De fermette is het symbool bij uitstek van de formattering van het suburbane Vlaanderen.” De fermettering, denk ik dan, de normering van de woonvorm, de woonwijze en de woonomgeving. Die normering wordt uiteraard tegengesproken door de adepten met een puur sofisme: akkoord, iedereen wil wel een fermette maar elke fermette is hoogstpersoonlijk en distantieert zich van alle andere fermettes. (‘Fermette’ mag natuurlijk door ‘pastoriewoning’ of andere vastgoedgebonden termen vervangen worden.) De fermette verschaft een groepsidentiteit, plaatst de eigenaar in een gietvorm, creëert een perceptie van maatschappelijk succes maar die collectieve geur wordt angstvallig ontkend door het hekken in een andere kleur te lakken, een kabouter méér in de voortuin te plaatsen en vooral de eigen koterij achteraan te bouwen.

Het is daarom een illusie te denken dat met de fermette ook kleinburgerlijk verkavelingsvlaanderen zal verdwijnen. De zogenaamde markt zal wel iets anders vinden … En de architecten?