Doorzoek volledige site
18 maart 2015

Brandveiligheid van details en aansluitingen in gebouwen

De brandreglementering oefent een belangrijke invloed uit op de opvatting en de uitvoering van diverse details en aansluitingen in gebouwen.  Om brandoverslag via gevels te voorkomen, dient men bijvoorbeeld van bij het ontwerp een aantal weldoordachte keuzes te maken. Doorboringen doorheen brandwerende wanden moeten op hun beurt brandwerend afgedicht worden. Ook de uitvoering van compartimentswanden dient met de nodige zorg te gebeuren. Hoewel er in de wetgeving nog verschillende andere belangrijke eisen opgenomen zijn, zal het WTCB zich in dit artikel beperken tot de drie voornoemde aspecten.

Het Koninklijk Besluit tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing (1) van 7 juli 1994 en zijn wijzigingen (2) leggen de brandveiligheidseisen vast waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen. Bij dit Koninklijk Besluit horen zeven bijlagen, waaronder bijlage 2 voor lage gebouwen (h < 10 m), bijlage 3 voor middelhoge gebouwen (10 m ≤ h ≤ 25 m), bijlage 4 voor hoge gebouwen (h > 25 m) en bijlage 6 die specifiek is voor industriële gebouwen.


De meest recente herziening van de Basisnormen (in voege sinds 1 december 2012) zorgde voor enkele belangrijke wijzigingen in de Belgische reglementering. Zo worden de brandweerstandseisen voortaan uitgedrukt volgens de Europese klassen (REI (3)), terwijl de oude Belgische classificatie (Rf) niet langer van toepassing is en na een overgangsperiode van 4 jaar zal verdwijnen.

De Basisnormen zijn van toepassing op alle nieuwe gebouwen, met uitzondering van eengezinswoningen (4). Renovaties vallen daarentegen buiten het toepassingsdomein ervan, al zullen de brandweerdiensten voor de beoordeling van de brandveiligheid wel overwegend hiernaar teruggrijpen.

Daarnaast kunnen de Gewesten, de Gemeenschappen en de Federale Overheidsdiensten (FOD) bijkomende teksten uitvaardigen die voornoemd Koninklijk Besluit aanvullen teneinde rekening te houden met het specifieke karakter van bepaalde gebouwen. De voorschriften uit de Basisnormen, de regelgeving en de geldende teksten kunnen geraadpleegd worden via de websites van de Normen-Antenne Brandpreventie (www.normen.be/brand) en de FOD Binnenlandse Zaken (www.besafe.be).

 

1. Brandoverslag via gevels

1.1. Reglementering

In § 3.5 van de bijlagen 2, 3 en 4 van de Basisnormen zijn de maatregelen opgenomen die getroffen moeten worden om inwendige en uitwendige brandoverslag te voorkomen (zie afbeeldingen 1 en 2).

Hierbij wordt er een onderscheid gemaakt tussen enkelwandige en dubbelwandige gevels (5). In dit artikel gaan we enkel dieper in op eerstgenoemd geveltype. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om spouwmuren, ETICS, voorhangpanelen bij skeletstructuren en gordijngevels (zie WTCB-Dossier 2013/3.8).

Om het risico op inwendige brandoverslag te beperken, moet de aansluitingsvoeg tussen de compartimentsvloer en de gevel minstens voldoen aan de eisen uit tabel A. Bij een traditionele ruwbouwconstructie die opgebouwd is uit dragend metselwerk en betonnen vloerplaten, is de brandweerstand ter hoogte van de aansluitingsvoeg sowieso verzekerd. Bij gordijngevels en voorhanggevels (skeletbouw) die bevestigd worden aan een discontinue draagstructuur, is het daarentegen van groot belang dat deze voeg correct afgedicht wordt.

Voor lage gebouwen zijn er in de Basisnormen geen eisen opgenomen om het risico op uitwendige brandoverslag tegen te gaan. Omwille van de beperkte gebouwhoogte (≤ 10 m) doen er zich bij de brandweerinterventie en de evacuatie van de bewoners in de regel immers slechts weinig problemen voor, waardoor de bevoegde instanties specifieke maatregelen overbodig achten.

Voor middelhoge en hoge gebouwen zijn er wel eisen opgenomen om het risico op uitwendige brandoverslag binnen de perken te houden. Om hieraan te kunnen voldoen, wordt er doorgaans teruggegrepen naar gevel­elementen waarvan de vlamdichtheid (E) gedurende 60 minuten verzekerd is. Deze elementen kunnen op verschillende manieren uitgevoerd worden. Zo kan men gebruikmaken van een vlamdichte horizontale oversteek met een minimale lengte van 0,6 m (zie afbeelding 3) of van een vlamdicht element (bestaande uit een latei en/of een borstwering) dat in het gevelvlak gelegen is (zie afbeelding 4) en waarvan de ontwikkelde lengte (a + b + c + d) groter is dan of gelijk is aan 1 m.

We willen eraan herinneren dat gevelbekledingen moeten beantwoorden aan de brandreactieklasse D-s3, d1 voor lage gebouwen en B-s3, d1 voor middelhoge en hoge gebouwen (6). Het betreft hier een brandreactieklasse voor de uiteindelijke gebruiksvoorwaarden, d.w.z. met inbegrip van de onderliggende lagen (isolatie, panelen …). Voor industriële gebouwen (bijlage 6 van de Basisnormen) worden er geen eisen gesteld met betrekking tot de brandreactie van de gevelbekleding.

 

Lees dit artikel verder op de WTCB. 

GERELATEERDE DOSSIERS