Doorzoek volledige site
25 maart 2015 | JEROEN SCHREURS

Op weg naar een betere toegankelijkheid

Veel volk op de officiële voorstelling Illustratie | WTCB /CTSC

Eén van de kwaliteiten voor een hedendaags performant gebouw, is dat het integraal toegankelijk is voor een brede groep van gebruikers. Dat is echter niet gemakkelijk verzoenbaar met een aantal andere eisen, in het bijzonder ter hoogte van de dorpel die deel uitmaakt van de ingang tot het gebouw. Zonder bijkomende aanpassingen kan een 'toegankelijke inkom' aanleiding geven tot een verminderde luchtdichtheid, het ontstaan van koudebruggen en een niet-regendichte aansluiting. Dit artikel gaat daar verder op in.

1. Wat is een aanvaardbaar niveauverschil?

De toegankelijkheid van schrijnwerk wordt bepaald door een brede waaier van eigenschappen zoals de bedieningskracht, de ergonomie, de vrije doorgangsbreedte, de opstelruimte … Een aantal van deze zaken werd reeds beschreven in het WTCB-Dossier 2006/4.4. Vaak is de dorpel of het niveauverschil ter hoogte van de toegangsdeur de zwakste schakel in de volledige 'toegankelijkheidsketen'.

Het maximale niveauverschil van 20 mm uit de regelgeving vinden we ook terug in de ons omringende landen en blijkt dus een goed uitgangspunt te zijn voor de verdere uitwerking van dit bouwdetail. In dit artikel wordt de individuele detaillering ter hoogte van een toegangsdeur op het gelijkvloers, van een deur naar een dakterras en van een deur naar een balkon uiteengezet. Voor wat de classificatie van de prestatie-eis 'toegankelijkheid' betreft, kan men zich baseren op tabel B.
 

B | Classificatie van de niveauverschillen.

 

Aanduiding

Niveauverschil

Ingang zonder niveauverschil
Ingang met een gering niveauverschil (maximaal verschil van 20 mm)
Niveauverschil van 21 tot 100 mm
Niveauverschil van 101 tot 150 mm
Niveauverschil van meer dan 150 mm

 

2. De toegangsdeur op het gelijkvloers

De afwezigheid van een verhoogde dorpel ter hoogte van een toegangsdeur op het gelijkvloers kan leiden tot waterinfiltraties en dit niet alleen via het schrijnwerk maar ook via de muurvoet. Deze problematiek werd reeds uitgebreid besproken in het WTCB-Dossier 2007/1.12. Hierin werden er ook een aantal oplossingen geformuleerd om dit risico te verkleinen (bv. de plaatsing van een luifel, het voorzien van een afvoerrooster voor de deur …).
Zoals hiervoor reeds aangegeven werd, kan de keuze voor een ingang zonder verhoogde dorpel bovendien ook een invloed hebben op de thermische prestaties en de luchtdichtheid van dit bouwdetail.

 

2.1. Waterdichtheid van het schrijnwerk en de muurvoet

Bij de realisatie van een toegankelijke inkomdeur moet het niveau van de buitenverharding zoveel mogelijk overeenkomen met dat van de deur, zodat de dorpelhoogte minimaal blijft. Het verhogen van de buitenverharding impliceert echter dat men bijzondere aandacht moet besteden aan de detaillering van de muurvoet om vochtinfiltraties (zoals opstijgend vocht, infiltraties vanuit de spouwmuren en laterale infiltraties) te vermijden. Dit werd reeds toegelicht in de Infofiches 7 en 20.

De spouwdrainering moet zich altijd boven het niveau van de buitenverharding bevinden. Ter hoogte van een toegankelijke inkomdeur zal men de spouwdrainering dus plaatselijk moeten onderbreken en omplooien aan de randen. Men moet bovendien een afdichting voorzien onder de dorpel teneinde het resterende spouwwater af te voeren en het zijdelings infiltrerende water een halt toe te roepen. Deze onderste afdichting moet dus bestaan uit waterdichte membranen met gelaste of gelijmde naden. Aangezien de goede hechting tussen deze membranen en de ondergrond niet gegarandeerd kan worden, voorziet men meestal een bijkomende drainering aan de muurvoet. Omwille van de geringe permeabiliteit van bijvoorbeeld klei- en leemgronden zou er anders bij regen een tijdelijke waterdruk kunnen ontstaan aan de muurvoet, waardoor de afdichting omzeild kan worden. Daarnaast zorgt de drainering voor de afvoer van het spouwwater van het geveldeel onder de spouwdrainering. In situaties waarbij de buitenverharding niet alleen aan de inkomdeur verhoogd wordt, zal men deze detaillering rondom het volledige gebouw moeten toepassen. De opstand van de onderste afdichting  moet zich hierbij steeds boven het niveau van de verharding of aanaarding bevinden.
 

2.2. Invloed van een vast onder­profiel op de prestaties van de inkomdeur

De afwezigheid van een vast onderprofiel bij een traditionele deur heeft een negatieve invloed op de lucht- en de waterdichtheid ervan (zie Infofiche 1). Op deze plaats zal er bovendien vaak een koudebrug ontstaan. Infiltraties van regenwater via de onderzijde van de deur zijn bij een dergelijke uitvoering evenmin te vermijden, maar kunnen wel beperkt worden door het nemen van een aantal maatregelen, zoals:

  • het voorzien van een afvoerrooster vlak voor de deur
  • het in helling (2 %) plaatsen van de verharding, weg van de deur
  • het aanbrengen van een druiplijst op de deur.

Zelfs indien men al deze aanbevelingen tot op de letter volgt, kan men nooit volledig uitsluiten dat er soms toch nog smeltende sneeuw of aangeblazen regenwater via de onderzijde van de deur binnendringt. Deze problematiek kan in zekere mate verholpen worden door het aanbrengen van een vast onderprofiel. In voorkomend geval zal men enkel een goede toegankelijkheid kunnen verkrijgen als het onderprofiel ingebouwd wordt in de dorpel of een beperkte hoogte vertoont. In dit laatste geval spreekt men niet over een ingang 'zonder niveauverschil', maar wel over een deur 'met een gering niveauverschil'. De aanwezigheid van een onderprofiel laat bovendien toe om de luchtdichtheid van het schrijnwerk te verbeteren en kan – voor zover het opgebouwd is uit een isolerend materiaal of thermisch onderbroken is – de koudebrug ter hoogte van het schrijnwerk beperken.

Het mag dus duidelijk zijn dat er een innovatiepotentieel schuilt in de verdere ontwikkeling van oplossingen die een antwoord kunnen bieden op al deze uitdagingen.

 

Lees dit artikel verder op de site van de WTCB

GERELATEERDE DOSSIERS