Doorzoek volledige site
11 mei 2015 | FILIP CANFYN

Steen&Been (column Filip Canfyn): Bouwtoelaatbaarheid

Filip Canfyn

Op regelmatige basis kruipt huiscolumnist Filip Canfyn in zijn pen voor Architectura.be en onderwerpt hij het architecturale/actuele reilen en zeilen aan een kritische blik in zijn column Steen&Been. Wenkbrauwgefrons was zijn deel toen hij onlangs in zijn notitieboekje een uitlating van Michel Jaspers die hij een tijdje terug neerpende, opnieuw tegenkwam: "Het komt er altijd op neer om bouwtoelatingen te krijgen, daar draait het werk van de architect om." 

"In de binnenzak van mijn jas zit altijd een verfromfraaid Moleskientje, met een elastiekje, dat al lang niet meer rekt. In dit zwarte boekje noteer ik flarden van mijn leven, die ik voor even of voor langer wil bewaren: citaten uit boeken, gegevens uit kranten, uitspraken uit monden. Ooit, dat denk ik toch, ooit zal ik met die of die quote iets kunnen doen. Zo begint wellicht ook de extreme verzamelwoede van die gestoorden, die hun huis televisievriendelijk volstouwen met plastiekzakken vol dingetjes.

In mijn Moleskientje schreef ik enige tijd geleden een uitlating van Michel Jaspers, die ik ergens moet gelezen hebben in een tijdschrift: “Het komt er altijd op neer om bouwtoelatingen te krijgen, daar draait het werk van de architect om.” Dat Jaspers hiermee zijn eigen loop- en lobbybaan kernachtig samenvat is één, dat Jaspers hiermee suggereert dat vergunbaarheid en proceduresnelheid door hand- en spandiensten belangrijker moeten geacht worden dan de kwaliteit van het ontwerp en van de procedure is twee. Gehoorzamen aan klanten moet ook grenzen kennnen en architectuur mag toch over ièts gaan, of niet?

Meer nog, zelfs al is de bouwtoelating heilig, waarom moet die kortzichtigheid steeds leiden tot vervlakking, tot eenheidsworst, tot die vreselijke Jasperiaanse blingbling? Waarom moet de middelmatigheid van de opdrachtgever door een dito bouwtoelating vorm krijgen?

Ik dacht aan de Jaspers-quote toen ik in “De Morgen” van 4 mei 2015 een artikel over lokale willekeur met bouwtoelatingen las. Hoewel vertrokken werd van voorbeelden, die tevergeefs hun best deden om niét op een storm in een glas water te lijken, klonk de these relevant: nu steeds meer gemeenten stedenbouwkundig ontvoogd raken worden lokaal meer en meer autonoom bouwvergunningen afgeleverd, zodat de kans op misbruik, om burgers en bouwpromotoren te plezieren, stijgt. Daarom is het misschien toch beter het vergunningenbeleid op een hoger niveau te houden, zodat lokale politici en ambtenaren gespaard blijven van de druk van hun eigen inwoners en de moeilijke projectontwikkelaars.

Voor NAV-voorzitter Kati Lamens is dit artikel de aanleiding om zich op deze website duidelijk uit te spreken tegen vriendjespolitiek, het onkruid, dat architecten en correcte burgers geen goed doet, maar vooral tegen de wildgroei aan gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen en tegen het gebrek aan slagkracht bij gemeenten.

Ikzelf heb tijdens mijn zes jaar als directeur stadontwikkeling van Kortrijk, bevoegd voor ruimtelijke ordening en dus voor bouwtoelatingen, ook altijd tegen ontvoogding gepleit. Ik had namelijk schrik voor de gevaarlijke interpretaties van het fenomeen ‘bouwtoelating’, die de verschillende actoren aan deze formalisering van een eigenlijk onbestaande ruimtelijke ordening geven.

Een politicus beschouwt een bouwtoelating als een gunst of als een prestatie, die hij geleverd heeft. Een beetje schepen schrijft dan ook een brief om de ontvanger van de bouwtoelating persoonlijk te feliciteren en zichzelf te bedanken.

Een investeerder beschouwt een bouwtoelating als een recht of als een privilege, die automatisch toekomt aan wie iets wil aanvangen met zijn lap grond. Waarom hij daarvoor toestemming moet vragen krijgt hij aan zichzelf niet uitgelegd.

Een ambtenaar beschouwt een bouwtoelating als een bestaansreden of als een instrument om de macht van de administratie te veruitwendigen en om empirisch aan te tonen dat de tijdsfactor altijd in het nadeel van de vergunningvrager werkt.

Niemand is écht begaan met de inhoud. De gevolgen hiervan zien we elke dag. Lokaal wordt volop verappartementiseerd in naam van de kleinere huishoudens, lokaal wordt willekeurig gevertikaliseerd in naam van de vermeende verdichting. Hierover moeten vooral geen vragen gesteld worden, als de bouwtoelating maar op tijd en stond op tafel komt.

Ondanks de Jaspersen en de ontvoogden van deze wereld moet een bouwaanvraag dringend weer bekeken worden als in essentie een communicatiemiddel en een beleefdheidsvorm, die weliswaar deel uitmaken van een procedure maar die vooral uitdrukken en aantonen dat de aanvrager in zijn project en in zijn ontwerp rekening gehouden heeft met de context en de omgeving, met de buren en de maatschappij, met een duurzaam evenwicht tussen eigen en algemeen belang.

Of begrijpen we als samenleving die moeilijke woorden niet meer?"