Doorzoek volledige site
01 juli 2015 | FILIP CANFYN

Steen&Been (column Filip Canfyn): Mmmacht

Filip Canfyn.
De macht van het bouwen – Hoe macht en geld de wereld aanzien geven van Deyan Sudjic

Ik heb mijn vorige column afgesloten met de retorische vraag of architecten niet moeten weigeren om nog woningen met een slechte mobiliteitsscore te laten bouwen, ook al zijn het vrijstaande villa’s voor hoge budgetten. Ik peilde eigenlijk overmoedig naar de inschatting van de maatschappelijke taak en verantwoordelijkheid van architecten en van het dilemma tussen zijn brood moeten verdienen of meedoen met het verspillen van energie, ruimte en mobiliteit.

Het toeval wil dat ik na deze column “De macht van het bouwen – Hoe macht en geld de wereld aanzien geven” van Deyan Sudjic (ex-Domus, ex-The Observer) herlezen heb, een aan de ribben hangend boek, dat ondertussen tien jaar oud geworden is.

Sudjic toont driehonderd bladzijden lang aan dat architectuur per definitie met macht en geld te maken heeft. Architectuur wordt door politieke leiders gebruikt om te verleiden, te imponeren, te intimideren, te heersen, te sturen en architectuur maakt gebruik van kostbare materialen en arbeidsuren, die door iemand moeten betaald worden. De centrale these van het boek is dan ook dat de beslissers over macht en geld voor de architectuur veel belangrijker zijn dan de architecten zelf, die, ook al willen ze diep in hun hart de gemeenschap dienen, toch relaties en compromissen moeten aangaan met macht- en geldhebbers. Die hebben immers de kracht om ontwerpen te realiseren maar doen wel eens vergeten dat men met gebouwen ook levens beter kan maken.

Sudjic haalt onder meer de ontsporingen van deze macht-geld-afhankelijkheid aan. Hitler en Speer bijvoorbeeld. Gekende materie maar hij vertelt evenzeer hoe Mies van der Rohe ontwerpen maakte voor de nazi’s omdat hij zo van architectuur een doel op zich maakte dat dit resulteerde in een verregaande bereidheid om die architectuur te laten aanwenden voor politiek machtsvertoon. Ook Philip Johnson solliciteerde voor opdrachten van Hitler maar deze eeuwige kameleon ruilde zijn jarenlange fascistische sympathie later vlot in voor de opdracht om de eerste kernreactor van Israël te ontwerpen. Hij was niet voor niets de vakbroeder, die zei dat alle architecten, ook hijzelf, als hoeren kunnen omschreven worden.

Stalin liet in 1931 een wedstrijd uitschrijven voor het Sovjetpaleis, zijn ultieme monument voor zijn eigen bewind. Walter Gropius en Le Corbusier dienden zonder scrupules voorstellen in maar het winnend ontwerp van een andere architect werd nooit uitgevoerd. Chroesjtsjov liet later de tevergeefse bouwput omvormen tot een openluchtzwembad zonder politieke ambities.

De laatste sjah van Iran strikte Kenzo Tange voor het stadhuis van Teheran en zijn gemalin liet Hans Hollein en James Stirling voor haar werken. Vragen werden verder niet gesteld.

In het begin van deze eeuw kreeg Rem Koolhaas de wind tegen omdat hij in Bejing het nieuwe hoofdkwartier van het door de communistische partij gecontroleerde televisiestation ontwierp na een prijsvraag. Hij liet de kritiek overwaaien maar schoot zichzelf in de voet toen hij publiekelijk weigerde deel te nemen aan de prijsvraag voor Ground Zero in New York: hij wilde niets te maken hebben met “een poging om een monument van zelfmedelijden op stalinistische schaal te creëren”. Wellicht diende zijn illusie dat China Koolhaas nodig had als alibi voor het toch omgaan met betwistbare macht.

Los van deze historische excessen behandelt Sudjic tevens avant la lettre de kwestie van de mobiliteitsscore. Hij wijst inderdaad op het belang van locatie, context en gestuurd gedrag bij architectuur.

Hij stelt dat de plaatsing van architectuurobjecten in het landschap aan die objecten echt een plaats geeft, dus een betekenis als onderdeel van een groter systeem, al was het maar omdat het landschap langer zal bestaan dan de mens. En dit geldt zeker voor de woonlocatie.

Hij stelt ook dat architectuur de macht heeft om de wereld in te richten met weglating van dingen, die de architect niet wil dat men ziet, en met accentuering van dingen, die de architect wel wil dat men ziet. En dat geldt zeker voor de wooncontext. (Dat de Disney Corporation aan Michael Graves, Robert Venturi, Philip Johnson en andere vedetten vroeg de gated community Celebration in Florida vorm te geven met woningen voor bovenmodale inkomens aan sprookjesachtige prijzen mag dan ook geen verrassing zijn …)

Sudjic vertelt tenslotte een parabel, die Adolf Loos schreef en die het impliciet over gestuurd gedrag heeft. Een man heeft zo veel vertrouwen in zijn architect dat hij deze regelmatig uitnodigt om belangrijke beslissingen te nemen, die zijn vele problemen moeten oplossen. Op een dag zegt de architect, wanneer hij de woonkamer betreedt, tegen de man: “Wat voor slippers draag je daar?” De man kijkt eerst bang naar zijn slippers maar antwoordt dan opgelucht: “Maar meneer de architect, u hebt ze zelf ontworpen!” De architect buldert: “Uiteraard, maar voor de slaapkamer! Zie je dan niet dat ze hier in de woonkamer de sfeer volledig verstoren?” En zo is de brug gemaakt naar het gestuurd woongedrag.

Sudjic reveleert eigenlijk dat de architect, die in de iconische én dagelijkse perceptie doorgaans beschouwd wordt als dwarsligger, vernieuwer en verdediger van maatschappelijke waarden, door zijn inherente relatie met macht en geld toch eerder meedeint op de sociologische onderstroom en op de politieke boventoon. Als dit betekent dat de mobiliteitsscore geen gewetenskwestie mag worden, dan is het maar zo. Als dit betekent dat kwaliteitszin en duurzaamheidsbesef desnoods moeten opgeborgen worden, dan is het maar zo. In elk geval wordt duidelijk dat als architect zijn rol spelen altijd gelijkgesteld kan worden met een positie innemen, een standpunt vertolken, een statement over ruimte, energie en mobiliteit maken. Ik berust volmondig in deze wijsheid. Of hoor ik daar weer “mmm …”?

 

Tot slot nog twee opmerkingen.

Een.

Alle genoemde architecten hebben de Pritzker gewonnen, de zelfverklaarde Nobelprijs voor architectuur. Uitzonderingen zijn alleen Stirling en Graves, naast uiteraard Gropius, Le Corbusier en Mies, wellicht wegens te oud omdat de eerste Pritzker maar in 1979 uitgereikt werd. Aan Philip Johnson nota bene. Koolhaas, Gehry, Venturi, Tange en Hollein ontvingen ook dit eerbetoon vanuit het establishment. Dat Speer geen award kreeg is weer een ander verhaal.

Twee.

Sudjic zelf blijkt een ambigu persoontje te zijn, zoals ik reeds in een lang-geleden-column schreef. Toen Zaha Hadid in 2014 de Design of the Year Award kreeg van het London Design Museum voor een cultureel centrum in Bakoe (ja, die obscure hoofdstad van Azerbeidzjan en de opgeblazen Europese Spelen) stak protest de kop op vanuit notabele kringen: het gebouw had een ganse wijk vol bewoners doen verdwijnen, corruptie speelde een hoofdrol, samenwerking met een feitelijke dictator moest veroordeeld worden. Medeverantwoordelijk voor deze wrang smakende award aan nog eens een Pritzker-laureaat was alleszins de directeur van het London Design Museum: een zekere Deyan Sudjic, de Pontius Pilatus dus van macht en geld.