Doorzoek volledige site
18 augustus 2015 | FILIP CANFYN

Zomeressay Filip Canfyn: New York Files (deel 3 & 4)

Huiscolumnist Filip Canfyn bezocht een tijdje geleden Manhattan voor de eerste keer. Al wandelend, vanop een dubbeldekbus en een boot en zelfs vanuit een helikopter sloeg hij het eiland gade. Hoe hij het stadsdeel in al zijn facetten ervoer, lees je op Architectura.be in 4 episodes. Vandaag: deel 3 & 4. 

DEEL 3

Tot zover het goede nieuws.

Manhattan kan je ook anders lezen. In het begin ben je bijvoorbeeld aangenaam verrast door het zeer diverse straatbeeld, door de letterlijke veelkleurigheid op de voetpaden van streets en avenues. Hier lopen inderdaad alle rassen rond maar wat later ontdek je een onderliggende rolverdeling binnen die gesuggereerde gelijkheid. De globale diversiteit wordt schijn: overal is blank in de meerderheid, wit is baas boven baas en Harlem mag slechts als uitzondering, die de regel bevestigt, fungeren. Zwart staat als portier aan de deur, verdient zijn brood en strepen als veiligheidsagent, verkoopt geüniformeerd tickets voor alles en nog wat op straat. Hispano  bereidt fast food, doet de afwas en werkt in de bouw.

Blank in Manhattan mag, zonder te willen veralgemenen, rijk genoemd worden: wie blank en arm is heeft daar trouwens niets te zoeken want wonen is er te duur en qua werk willen zwart en hispano nog dieper zakken. Blank-rijk woont en werkt in Manhattan, anders-arm moet zich tevreden stellen met de vuilbak van de klussen, moet bidden voor stevige fooien, moet twee klotejobs doen en moet vooral ver buiten Manhattan een betaalbaar dak zoeken.

Bij ons in Vlaanderen wordt graag de focus gericht op raciale incidenten in de States: politiegeweld, gevangenisopstanden, gangstermoorden. Zelden wordt dieper ingegaan op de globale maar geruisloze scheiding tussen bevolkingsgroepen binnen die gevoelige zones, een scheiding, die één dikke lijn trekt tussen kleur, onderwijs, inkomen en perspectief. Manhattan is dan ook de hoofdstad van die segregatie, een tendens, die we al in onze eigen (groot)steden kunnen voelen.

Het gaat tevens over een segregatie tussen hoogwaardige en laagwaardige dienstverlening. Hoogwaardige dienstverlening zit in banken, advokatenkantoren, administraties, …, verdient een dikbelegde donut en consumeert, recreëert, domicilieert in de stad. Laagwaardige dienstverlening moet het die hoogwaardige dienstverlening makkelijk maken, comfortabel en zorgeloos, en moet zijn levensonderhoud bijeenharken door als een vogeltje de tanden van de krokodil proper te houden.

Een hoogwaardige betaalt 20 dollar per half uur voor een parkeerplaats, die beheerd wordt door een laagwaardige voor een minimumloon van 8 tot 12 dollar per uur. Een hoogwaardige huurt voor gemiddeld 3.000 dollar een woning en voor 500 dollar een garage terwijl een laagwaardige elke dag tweemaal de ondergrondse moet nemen om ver van Manhattan te wonen. Ik lees zelfs ergens dat hoogwaardigen laagwaardigen een kleinigheid betalen om in hun plaats aan te schuiven voor een theaterticket (107 dollar voor het goedkoopste stekje bij een stuk met Helen Mirren …).

En omdat er zoveel laagwaardigen nodig zijn om het die hoogwaardigen naar hun zin te maken en omdat iedereen daar kriskras door elkaar loopt denken wij dat in Manhattan een raciaal gemengd evenwicht bestaat. Manhattan wordt in reisgidsen zelfs beschreven als een stad zonder grenzen. Wie dit beweert moet over die segregatiekloof gekeken hebben. En over de grenzen van maatschappelijk fatsoen, die deze tweedeling klakkeloos negeert of aanvaardt.

Ondertussen wordt in Vlaanderen onze aversie voor diversiteit blijkbaar gevoed met de extreme voorbeelden van racisme in de States (zie je wel!), ondertussen wordt hier ons wantrouwen voor diversiteit blijkbaar vergoeilijkt met dezelfde voorbeelden (je weet maar nooit!) terwijl ogen, oren en lippen gesloten worden voor de ook hier groeiende segregatie tussen have’s en have not’s, zeker in de steden. Alsof het een troost is dat pas binnen twintig jaar bij ons hetzelfde diverse straatbeeld opduikt terwijl de groei van de segregatie al zichtbaar en reëel is, zeker in de steden. Alsof diversiteit en segregatie elkaar niet vlammend tegenspreken.

Tekenaar Joost Swarte noemt onlangs in de Canvasconnectie de foto “American Gothic” (1942) van Gordon Parks hét beeld, hét symbool van de rol van wat we de laagwaardigen genoemd hebben: een zwarte poetsvrouw poseert voor de Amerikaanse vlag met een zwabber en een veegborstel in de handen. Manhattan leert ruim zeventig jaar later nog altijd wat het betekent ‘je plaats kennen’.

In het MOMA loopt intussen een expo over megacities genre Lagos, Rio de Janeiro, Mumbai en New York. De kunstliefhebbers stappen wellicht voorbij de cijfers maar er staat zwart op wit dat in New York één op twintig minder verdient dan de helft van de armoedegrens, één op vijf een inkomen heeft onder de armoedegrens, één op drie meer dan 50% van dat inkomen moet besteden aan wonen, één op twee meer dan 30% moet spenderen aan onderdak terwijl 400.000 dollarmiljonairs kunnen doen alsof iedereen in “Sex and the city” of “Friends” meespeelt. Hetzelfde MOMA spreekt in deze tijd van nieuwe slavernij, waarbij een onderlaag volledig ten dienste moet staan van een elite, van een groot gevaar voor de zogenaamde middenklasse. De expo toont immers verhalen van mensen mét een diploma en mét een arbeidscurriculum, die toch dakloos worden. Dat dit maatschappelijk probleem op een voorspelbare manier in de kunststempel verkocht wordt als een individueel probleem (wegens falen of ongeluk) valt wellicht te verklaren vanuit de locatie van het MOMA: Manhattan!

Burgemeester Bill de Blasio verklaart dan weer in de New York Times (19/05/15) centen nodig te hebben voor sociale huisvesting en daarom zal hij het parkeergeld verhogen. Dit getuigt van een wellicht ongewild hedendaags cynisme: parkeren door wie het kan betalen ten voordele van wonen door wie het niét kan betalen … En het parkeren kost nu al vier keer meer dan de parkeerwachter.

 

DEEL 4

Het lot van de onderbetaalde parkeerwachter brengt ons naadloos bij een volgende vaststelling: Manhattan is beangstigend duur. Pedant duur. Ik heb het voor alle duidelijkheid niet over de wisselkoers tussen dollar en euro, ik heb het over de betaalkracht van een dollar.

Wat in Manhattan verkocht wordt mag blijkbaar per definitie wat kosten. Goed, in een Michael Kors-shop bedraagt de verkoopprijs van een handtas een megavoud van de nodige arbeid plus het gebruikte materiaal omdat het merk zelf als financiële fietspomp werkt. Tot daar aan toe, we kennen het spel maar een analoge redenering wordt in àlle winkels doorgetrokken en zeker in de horecasector. Niet de naam, lees ‘the brand’, verslindt hier dollars maar simpelweg de locatie.

Manhattan kent dan ook geen kleingeld. De papieren flappen regeren alsof ze slechts munten zijn. Alle prijzen ronden zichzelf af en wat er bijkomt aan lokale taksen wordt ook gladgestreken: wie bedient is maar wat blij dat enige kleingeld als fooi te krijgen.

Duur wordt echter niet duurzaam, laat staan van kwaliteit bulkend. Voor dat mooie geld eet men bijvoorbeeld niet maar voedt men zich. Zelfs fast food denkt zich hier de laatste jaren heruitgevonden te hebben maar is eigenlijk alleen spectaculair duur geworden. Wij hebben op die kleine week tijd, kriskrassend door Manhattan, geen tien McDonalds gezien, naast amper drie Burger Kings en twee Wendy’s. We hebben wel gestruikeld over de massale aanwezigheid van eigentijdse formules, die de traditionele ketens verdrongen hebben: Starbucks, Prêt à Manger en onze eigen Pain Quotidien. De laagwaardigen moeten hun zielige hamburger voor één dollar maar buiten Manhattan, in hun eigen wijken gaan zoeken, de blitse jongens en meisjes verorberen nu wraps met zalm, taartpunten quiche, salades met trendy toppings en fluorescente smoothies voor tien dollar en meer per stuk. Dit overprijsde schijneten wordt altijd geadverteerd op billboards met gepimpte foto’s en slogans zoals ‘real’ of ‘handcrafted’ maar is zo geprefabriceerd en processed als wat. Vers brood is hier trouwens een fortuin waard, als je er vindt.

Neen, food is het niet en fast ook al niet. Elke morgen, elke middag en elke vooravond staan aan die bijdetijdse tenten wachtrijen van witte hemden en zwarte plooirokken tot buiten, collectief want op hetzelfde moment, aan te schuiven voor een dollarvretend iets, dat door gelijkgezinden als fast en food betiteld wordt. Ik zou in hun plaats mijn eigen boterhammen meebrengen: per definitie sneller en lekkerder dan dit fake food.

Het food-thema leidt ons naar een andere Manhattan-kwaal: de georganiseerde en getolereerde hypocrisie.

Alles staat horecagewijs in het teken van gezondheid en ecologie, van schoonheid en fitness, van authenticiteit en traditie maar de grootste bagger wordt terzelfdertijd verheven tot een levensveranderende ervaring. Overal wordt het aantal calorieën van alle bestelbare snacks, menu’s en beverages vermeld, wat eigenlijk behoorlijk afschrikwekkend zou moeten werken, maar wanneer ik ergens een pastaschotel met kaas van welgeteld 3200 kcal (dus bijna tweemaal de volledige dagelijkse behoefte) geafficheerd zie moet ik toch lachen met die low calorie-gekte: hier wordt die pastabom op die manier nog méér verkocht. Uiteraard met een halve emmer slim soda erbij om het evenwicht te herstellen.

De ecologische rage verhindert alleszins niet dat door dat ridicuul voedingspatroon een gigantische afvalberg opgebouwd wordt. In letterlijk elke eet- en drinkzaak voor die dure snelle hap wordt alles geserveerd in kartonnen bekers en plastieken kommetjes met doorschijnende deksels, of men nu de bestelling meeneemt dan wel ter plaatse consumeert. Een typische Japanse sushibar met pretentie maar ook met wegwerpborden … De verpakking is het voedsel dus waardig, de duurzame pep talk ten spijt.

Meewarigheid vervangt dan weer de aversie voor hypocrisie bij die vele stalen straatstalletjes, die het vettigste voedsel van het westelijk halfrond verkopen maar met ingebeelde trots het bordje ‘halal’ uithangen. Van halal gesproken. In weeral de New York Times (18/05/15) staat een vergelijking tussen de godsdienstigheid van de Amerikaanse volwassenen en de door de federale parlementsleden opgegeven eigen religieuze overtuiging. 1% van de USA is moslim (halal!), 2% joods. De eerste groep heeft geen verkozenen, de tweede groep 5%. Eén op vijf van House en Senate bekent zich tot statistisch weinig relevante splintergeloofjes (mormonen, om maar één te noemen), die aldus zwaar oververtegenwoordigd worden. Eén op vijf Amerikanen is niet gelovig maar krijgt officieel geen stem in Kamer of Senaat omdat geen enkele politicus van zichzelf durft beweren niét in God te betrouwen. Hypocriet betekent immers ook schijnheilig.

Mixed feelings dus.

Manhattan is als stad waanzinnig interessant maar als samenlevingsmodel interessant waanzinnig en dus gevaarlijk. Manhattan denkt als de tekst op een T-shirt, dat ik niet meer vergeet: “I’ve intented to live forever. So far, so good.” Manhattan leeft alsof het weet dat het zo niet lang meer verder kan, dat hier een destructief scenario wordt geschreven en geacteerd.

Wie vroeger op straat tegen zichzelf sprak werd als gek en idioot weggezet. In Manhattan praten ontelbare hoogwaardige mensen tegen zichzelf. Zo lijkt het toch. Eigenlijk praten ze tegen een draad, die met oordoppen verbonden is. Buiten draait hun wereld onhoorbaar maar doldriest door maar intussen wordt sociaal gedrag herleid tot kwekken tegen een kabel. Ik lees in Humo (19/05/15) dat we vandaag al op een halve dag evenveel gsm’en als we in 1980 op een gans jaar telefoneerden. Manhattan toont aan dat kwantiteit en snelheid geen goede voedingsbodem vormen voor kwaliteit, hoe hard men ook zijn best doet om wie er rondwaart van het tegendeel te overtuigen.