Doorzoek volledige site
09 september 2015 | JEROEN SCHREURS

Panelgesprek: “Zorg dat ouderen zo lang mogelijk thuis kunnen wonen.”

Isabel Vlaeminck: We zien dat bij een aantal bouwheren het financiële aspect de bovenhand neemt, en dat is spijtig."
Patrick Kerkhofs: "Wie een voldoende groot inkomen heeft, zou zelf de factuur moeten betalen."
Marc Van Hove: "Private ontwikkelaars focussen te weinig op buitenruimtes."
Peggy Geens: "De meest duurzame oplossing is dat het huis waarin je woont al is aangepast aan je vorderende leeftijd.”
Rik Neven modereerde het panelgesprek

Voor de Dag van de Architectuur organiseerden Architectura.be en het VAi vijf gesprekken over belangrijke thema’s in de Vlaamse architectuur. Voor het eerste debat, bouwen voor de zorgsector, zaten Isabel Vlaeminck (BURO II & ARCHI + I), Marc Van Hove (Omgeving), Patrick Kerkhofs (Probis) en Peggy Geens (Burobill) rond de tafel. “Kleinere kamers zijn niet zo’n probleem. Besparen op collectieve ruimtes, dàt is erger.”

Wat is er belangrijk in een woonzorgcentrum om bewoners zich er goed te laten voelen?

Isabel Vlaeminck: “Daglicht is heel belangrijk, zeker voor ouderen. Die capteren immers veel minder licht. Dat is natuurlijk altijd zoeken naar een evenwicht, want veel licht binnenlaten is vaak tegenstrijdig aan compactheid, korte loopafstanden en optimalisatie van de zorg. Een architect moet daar dus een compromis in zoeken. De relatie met de buitenomgeving ook heel belangrijk. Een derde aspect zijn interieurelementen. Zo is het bijvoorbeeld belangrijk om specifieke accenten te leggen voor de steeds groter wordende groep dementerenden, zoals een duidelijk onderscheid tussen lichtere ruimtes met felle kleuren en meer duistere ruimtes die ontmoedigen dat ze daar dolen.”

 

Er wordt vaak gezegd dat private woonzorgcentra minder kwaliteit bieden dan publieke centra. Is dat zo?

Patrick Kerkhofs: “Als oppervlakte een indicatie is van woonkwaliteit, dan moeten we inderdaad vaststellen dat de private sector, zeker waar vastgoed en zorgverlening gesplitst zijn, tot tien vierkante meter per woongelegenheid kleiner bouwt. Waar VIPA 65 vierkante meter als streefdoel heeft, zien we dat ontwikkelaars bij nieuwbouwprojecten in de private sector ruimtes tot 55 vierkante meter realiseren.”

Isabel Vlaeminck: “De private sector heeft natuurlijk een ander uitgangspunt dan de publieke sector, met een bedrijfsmatige structuur en aandeelhouders die winst verwachten. We zien dan ook bij een aantal bouwheren dat het financiële aspect de bovenhand neemt, en dat is spijtig. Zoals Patrick zegt is het probleem vaak de splitsing tussen vastgoed en zorgverlening, tussen degene die het gebouw bouwt en degene die het uitbaat. Dat resulteert in een partij die moet investeren in duurzame gebouwen en een andere die daar de vruchten van plukt. Natuurlijk wil die eerste partij de kostprijs dan zoveel mogelijk drukken.”

Marc Van Hove: “Private ontwikkelaars focussen ook te weinig op buitenruimtes, en te veel op de maximalisering van de oppervlaktes en het aantal kamers. Daar halen ze immers hun winst. Die buitenruimte is in woonzorgcentra nochtans een heel belangrijk element voor de bewoners. Wij merken daarnaast bij offertes dat bouwheren regelmatig kiezen voor een architect die, bij wijze van spreken, iets heeft klaarliggen dat de volgende dag gebouwd kan worden en niet voor maatwerk, dat misschien wat meer tijd vergt.”

Patrick Kerkhofs: “De overheid heeft recent beslist om het gesubsidieerde VIPA-kader terug te schroeven. Men werkt ter vervanging aan een model waarbij elke exploitant een bedrag krijgt voor de instandhouding van de infrastructuur. Welk budget dat zal zijn weet niemand, maar ik zou als overheid de woonkwaliteit van een woonzorgcentrum heel strikt koppelen aan dat uitgekeerde bedrag. Stel kwaliteitsnormen op die elk centrum moet behalen. Als er dan een privaat fonds winst wil maken met zo’n centrum, laat ze gerust doen. Zolang ze maar voldoen aan die kwaliteitsnormen.”

Marc Van Hove: “Je onafhankelijkheid staat vaak ook onder druk bij zo’n privaat project. Verplichte minimumeisen zorgen ervoor dat je meer kunt inbrengen tegen de bouwheer. Als je de parallel trekt met private en sociale huisvesting, merk je dat effect van die normen trouwens heel goed. Kwalitatief is sociale huisvesting beter dan wat er op de private markt voor hetzelfde budget te krijgen is. Die woningen zijn ook veel makkelijker bemeubelbaar. De normen die de sociale huisvesting hanteert, bieden ook garanties om thuiszorg en thuis blijven wonen zo lang mogelijk toe te laten. Veel woningen op de private markt zijn echt niet geschikt om mensen op langere termijn – wanneer ze minder mobiel zijn – tegemoet te komen. Dat is een heel groot probleem, denk ik. Woonzorgcentra zijn natuurlijk belangrijk, maar eigenlijk wil je mensen zo lang mogelijk thuis houden.”

Peggy Geens: “Ik ben het daarmee eens. De vraag naar woonzorgcentra wordt alsmaar groter, maar  de meest duurzame oplossing is dat het huis waarin je woont al is aangepast aan je vorderende leeftijd.”

Patrick Kerkhofs: “Akkoord, de overheid zou minimumnormen moeten opleggen aan de toegankelijkheid van appartementen, niet alleen rond de inkomdeur, maar voor het hele appartement. Zo kunnen mensen die minder mobiel worden ook nog in huis blijven wonen. Als je weet dat binnen vijftien jaar één op drie mensen ouder is dan zestig, dan moeten die woningen daar toch standaard aan zijn aangepast?”

Isabel Vlaeminck: “Ik ben voorstander, maar dat is natuurlijk wel een dure ingreep. Alle gangen breder maken, vijftig centimeter ruimte naast de deur voor rolstoelen,…”

Marc Van Hove: “De oppervlakte zal inderdaad toenemen, maar dat kan je opvangen door goed te ontwerpen.”

Patrick Kerkhofs: “Maar bij grotere oppervlaktes gaan de winstmarges van de projectontwikkelaars volledig verloren. Daarom heeft de overheid daar een rol te spelen. Mijn voorstel: ga je wonen in een assistentiewoning waar tal van voorzieningen nabij zijn? Dan krijg je een verlaging van je BTW. Nu zie ik dat mensen die hun huis op het platteland verkopen te weinig overhouden om een serviceflat in de stad te betalen. Dan stellen ze die stap noodgedwongen uit. Als de overheid dat via de BTW-regeling compenseert, lukt het wel.

 

Idealiter wordt er dus meer ingezet op thuiszorg en minder op woonzorgcentra?

Peggy Geens: “Ja, en daar zou veel meer geld en visie voor moeten zijn. Veel mensen zijn gewonnen voor dat idee. En het systeem van mantelzorgers bewijst dat het kan.”

Patrick Kerkhofs: “De mantelzorg is wel met 18 procent afgenomen op een jaar tijd. Er zijn steeds minder mantelzorgers beschikbaar. Mensen van 85 jaar zijn immers zwaar zorgbehoevend, maar hun kinderen zijn ook al 60 jaar. Maar wat Peggy en Marc zeggen klopt: we moeten streven naar normeringen voor woningen zodat ze de tand des tijds kunnen weerstaan. Dan stel je de verhuis naar een woonzorgcentrum sowieso al uit.”

Peggy Geens: “Een opmerking daarbij: met een goed aangepaste woning, maar die ver weg op het platteland ligt, heb je ook een probleem. Probeer op het platteland tegenwoordig maar eens een goede busverbinding te vinden. Het is even belangrijk dat we oudere mensen niet isoleren en dat ze deel blijven uitmaken van een gemeenschap, een dorp of een buurt. Zorg dat jonge kinderen op weg naar school passeren of zorg dat er een drinkgelegenheid in de buurt is.

Patrick Kerkhofs: “Ik treed dat volledig bij. Integratie is noodzakelijk, zeker als je nog een onderscheid maakt tussen zwaar zorgbehoevenden van meer dan tachtig jaar – die verblijven nog ongeveer een jaar in zo’n centrum voor ze overlijden – en de groep van tien tot vijftien jaar jonger. Die laatste groep heeft zeker nood aan een context met veel beweging. Spijtig genoeg zijn de geschikte locaties daarvoor ook de duurste. Dan moet je de handen in elkaar slaan met projectontwikkelaars die wel beschikken over zulke gronden, en dan ben ook verplicht om serviceflats in een verkoopformule aan te bieden. Op die manier ben je selectief, want niet iedereen kan dat betalen.”

 

Peggy spreekt over een drinkgelegenheid. Veel woonzorgcentra proberen toch hun cafetaria open te stellen voor het publiek, maar dat heeft weinig succes.

Patrick Kerkhofs: “De inplanting is natuurlijk erg van belang. Wie erg geïsoleerd zit in een groenzone, gaat niet veel toevallige passanten hebben.”

Isabel Vlaeminck: “Bij ons project, Triamant in Velm bij Sint-Truiden, is het horeca-aspect opgenomen in een gerenoveerd kasteel op een toeristische fietsroute en daar werkt het wel. Maar het is inderdaad niet vanzelfsprekend.”

Patrick Kerkhofs: “Daarin spelen architecten een belangrijke rol. Als ik jullie hoor spreken over een ‘cafetaria’ loopt het volgens mij al fout. Wij spreken over een ‘Grand Café’ in het woonzorgcentrum, een plaats waar mensen echt naartoe willen komen. En dat werkt. Het enige probleem is: moet dat economisch opbrengen? Want dan ga je natuurlijk in concurrentie met de lokale horeca, en dat is een moeilijk punt.”

“Het project van Senior Plaza in Willebroek is een goed voorbeeld van hoe het wel kan. Aan de straatkant – een winkelstraat – liggen een orthopedische winkel en een horecazaak, beide toegankelijk langs de straatkant. Maar aan de binnenzijde zijn die winkels via een gang ook toegankelijk voor de bewoners van het centrum.”

“Zulke collectieve ruimtes, waar mensen kunnen samenkomen, zijn trouwens vaak de eerste besparingspost. Dat is problematisch. Mensen vinden het vaak niet eens zo erg dat hun kamer niet zo groot is, als ze maar veel ruimte hebben. Je wil een thuissituatie creëren? De slaapkamer is thuis vaak ook een kleine kamer, terwijl de woonkamer veel groter is. Die norm zou men ook in zulke centra moeten doortrekken.”

Marc Van Hove: “Bij ons project, het Openbaar Psychiatrisch Centrum in Geel, was die collectieve ruimte zelfs een uitgangspunt: we willen dat de bewoners zo weinig mogelijk op hun eigen kamer zitten. De oppervlakte van de kamer is daar minimaal, zelfs iets onder de norm, en er is echt gefocust op de leefruimtes.”

Isabel Vlaeminck: “Langs de andere kant is dat ook wel erg betuttelend. Mensen worden individualistischer en willen hun eigen ruimte. Als ik 85 of 90 ben moet men mij ook niet verplichten om op bepaalde momenten in de gemeenschappelijke leefruimte te verblijven.”

 

Is het verschil tussen kwalitatieve woonzorgcentra voor de ‘happy few’ die het kunnen betalen en andere voorzieningen niet te groot?

Isabel Vlaeminck: “Ik denk dat er vooral een perceptieprobleem is. Zorgbehoevenden kennen het aanbod niet goed, zien private projecten met een glimmende inkom en vergelijken dat met een publiek gebouw van het OCMW dat misschien een negatieve bijklank heeft, maar waar meer personeel en meer zorg aanwezig is. De overheid zou daar beter over moeten communiceren.”

Patrick Kerkhofs: “Ik zie een ander probleem. Er zijn gesubsidieerde instellingen die 20 tot 30 euro onder de prijs werken, maar daar zitten ook mensen die een pensioen van 2000 euro krijgen. Terwijl bijvoorbeeld bij de sociale huisvesting je huurprijs afhangt van je inkomen. Wie een voldoende groot inkomen heeft, zou zelf de factuur moeten betalen. Die evolutie moeten we in Vlaanderen nog krijgen, maar zo’n boodschap uitspreken is politiek natuurlijk niet makkelijk.”

Peggy Geens: “Er zijn nu ook wantoestanden, zoals een oud koppel dat moet scheiden omdat een van de twee zorgbehoevend wordt. Op die manier krijgt de hulpbehoevende een uitkering om in een woonzorgcentrum te kunnen verblijven. Niemand praat daarover, maar dat is wel de realiteit. Dat gaat voorbij aan alle menselijkheid, want op zo’n moment willen mensen het liefst samenblijven.”

Patrick Kerkhofs: “Ik deel die mening, dat is een pervers effect. Maar daaruit blijkt ook hoe weinig creatieve oplossingen we als maatschappij aanbieden voor zulke mensen. Ik pleit voor een model waarbij assistentiewoningen in het zog van een zorgvoorziening gebouwd worden.”

Isabel Vlaeminck: “Zulke mengvormen zijn inderdaad nodig, want het is schrijnend dat koppels echt uit elkaar worden getrokken als er teveel zorg nodig is, terwijl ze dan net samen willen blijven.”

Patrick Kerkhofs: “Je moet ook kritisch kijken naar de exploitanten. Ik zie vandaag nog ‘klassieke’ woonzorgcentra die niet mee zijn met die nieuwe ontwikkelingen. Daar vindt het personeel het bijvoorbeeld een obstakel om 100 meter verder op de campus zorg te verstrekken in een assistentiewoning, daar waar het Wit-Gele Kruis de hele dag overal mensen gaat bezoeken, desnoods met de scooter in de stad. Dat is dus zeker mogelijk.”

 

Is een ‘zorgcampus’, waarbij zorggerelateerde projecten gecentreerd worden rond een soort zorgboulevard, een oplossing?

 

Lees hier het vervolg van het panelgesprek over Bouwen voor de zorgsector.