Doorzoek volledige site
15 september 2015 | FILIP CANFYN

Steen&Been (column Filip Canfyn): Knip- en plakwerk

Illustratie | artnet.com
Illustratie | artnet.com
Filip Canfyn. Illustratie | Filip Canfyn

Op regelmatige basis kruipt huiscolumnist Filip Canfyn in zijn pen voor Architectura.be en onderwerpt hij het architecturale/actuele reilen en zeilen aan een kritische blik in zijn column Steen&Been. Ditmaal kwam de bijzondere vertelling van zelfverklaard dadaïst Karl Waldmann hem ter oren. Een uiterst grappig en onderhoudend verhaal, vindt Canfyn. 

"Ook het bizarre verhaal van Karl Waldmann gelezen in de betere kranten? Het verhaal van wie? Van Karl Waldmann!

Deze dadaïst à la Kurt Schwitters maakt tussen 1930 en 1958 1200 collages, waarvan het merendeel nu in het bezit is van een Belgische kunsthandelaar annex galeriehouder. Die ontmoet in 2000 puur toevallig een Franse journalist, die op zijn beurt in 1989 puur toevallig een Pool ontmoette op een vlooienmarkt in Berlijn. De Pool had nog een sinistere vriend, die àlle Waldmanns verkocht aan de Fransman, die op zijn beurt 800 stuks verkoopt aan de Belg, die op 15 jaar tijd 150 werken aan verzamelaars kan verkopen voor prijzen tussen 1.000 en 10.000 euro.

Vreemd genoeg komen alle informatie en beeldmateriaal over Karl Waldmann uit één en dezelfde bron: de website van het Karl Waldmannmuseum, een virtueel museum zonder gebouw, dat beweert het oeuvre van de dadaïst te archiveren en te stockeren, dat een raad van bestuur vol illustere internationale onbekenden heeft en dat vooral gerund wordt door diezelfde Belgische galeriehouder. Volgens hem is de verder onbekende Waldmann geboren in Duitsland en uit het beeld verdwenen in 1958. Zijn werk zou nooit tentoongesteld zijn omdat de kunstenaar bang was voor de nazi- en Stalincensuur en misschien ook omdat hij een échte artiest wou zijn, zo’n getormenteerde en onbegrepen zwoeger, die alleen maar wil zegevieren in zijn eigen atelier en geen publiek nodig heeft.

Waldmann zou onbesproken blijven als men begin september niet overgaat tot het in beslag nemen van zijn collages tijdens een tentoonstelling in een gerespecteerd en écht Duits museum. Een klacht rond schriftvervalsing doet het parket afstappen. Akkoord, de voor de kunstwerken gebruikte krantenknipsels zien er wel oud uit door vergeling en patine maar de speurneuzen menen dat de lijm naar het labo moet. Een gewiekste vervalser maakt immers ook al eens een foutje en kan stoemelings hedendaagser plaksel gebruikt hebben …

De galeriehouder reageert furieus in de pers op de suggestie dat hij Waldmann en de bijhorende promotiemachine uitgevonden heeft om een paar honderdduizenden euro’s in zijn zakken te steken. “Ik bestudeer al zo lang deze kunstenaar, ik weet dus waarover ik spreek. Die man is een genie, geen verzinsel, dat ik bijeenplak.” Als pleidooi pro domo kan dit beter, toch als hij van zijn eenmanszaak geen echte zaak wil maken.

Ik vind dit alles eigenlijk uiterst grappig en onderhoudend. Ik hou van verhalen.

Stel dat Waldmann echt een miskend genie is, die zich gelukkig mag prijzen dat een onbaatzuchtige Belg hem postuum rehabiliteert aan kostprijs. Wat een verhaal!

Stel dat onze kunsthandelaar toch een ordinaire oplichter is, die na 15 jaar pret en opbrengst dankzij domme slachtoffers met teveel centen eindelijk ontmaskerd wordt. Wat een verhaal!

Stel dat onze galeriehouder al anderhalf decennium zijn tijd stopt in een bewuste illusie, met medeplichtigheid van een deel van de kunstwereld, die een hoopje pedante beunhazen te kakken wil zetten. Wat een verhaal!

Welk verhaal het ook wordt dankzij de detectives van Tatort, het wordt vervolgd. En de schuldige misschien ook. Goed om weten is trouwens dat het werk van Karl Waldmann ooit tentoongesteld is in het Gentse Museum Dr. Guislain, waarvan ik al jaren een vriendenkaart heb omdat ik gek ben van kunst met een hoek af. Het is wellicht niet puur toevallig het enige museum, dat met opzet geen rekening houdt met de stamboom van kunstenaars. Voor Dr. Guislain is iedereen eigenlijk van zichzelf knip- en plakwerk.

 

ERRATUM

In “Een Parijse parel” van twee weken geleden staat een kolossale fout. Jullie hebben het natuurlijk allemaal gezien maar alleen mijn eigenste broer had het lef mij er op te wijzen. Het feit dat Christian de Portzamparc niét de architect is van de Opéra de la Bastille zit immers in zijn geheugen gebeiteld sinds hij jaren geleden een weddenschap hieromtrent verloor. De inzet was een etentje in een duur restaurant. Vandaar.

Inderdaad, de juiste architect is een zekere Carlos Ott van Canadees-Urugayaanse bloede. Mitterand wilde een nieuwe opera op de grond van het gesloopte Gare de la Bastille en liet in 1983 een ontwerpwedstrijd organiseren. Uit 757 projecten werden eerst 3 finalisten gekozen en het zou Mitterand lui-même geweest zijn, die in 1984 Ott aanduidde. Zijn bonbonnière werd ingewijd op 13 juli 1989, op de vooravond van de 200ste verjaardag van de bestorming van de Bastille, maar was op dat moment eigenlijk verre van opleverbaar. Vanaf 1996 begon de gevel in stukken en brokken naar beneden te komen en door een ellenlange juridische oorlog met de aannemers konden pas vanaf 2007 de natuursteenplaten vervangen worden door iets beters.

Van Carlos Ott kan ik alleen nog vertellen dat hij volgend jaar 70 wordt en in vrijwel elk werelddeel een kantoor heeft. Veel meer dan inwisselbare Noordwijk-architectuur staat er wat mij betreft niet op zijn palmares. Hij maakt alleszins graag grootschalige projecten voor grootschalige klanten met centen.

En wat heeft de Portzamparc met dit alles te maken? Christian is trouwens al 72 en blijft voor altijd de bedenker van de Cité de la Musique (La Vilette, Parijs), waarvoor ook al in 1984 een wedstrijd uitgeschreven werd. Heb ik in mijn onderbewustzijn dat gegeven gekoppeld aan het feit dat hij internationale indruk heeft gemaakt als medefinalist voor de Opéra de la Bastille?

Ik heb alvast alleen een broertje dood aan Carlos’ gebouw."