Doorzoek volledige site
25 september 2015 | KEVIN MOENS

Panelgesprek: Bouwen voor de jeugd

Jonas Lindekens, ONO architectuur.
Paul Vandenbussche, TEEMA architecten.
Erik Wiëers, Collectief Noord.
Gerhard Jäger, Arts Basics for Children.

Bouwen voor de jeugd. Een thema dat een panelgesprek waard is naar aanleiding van de Dag van de Architectuur. Paul Vandenbussche (TEEMA architecten), Jonas Lindekens (ONO architectuur), Erik Wiëers (Collectief Noord) en Gerhard Jäger (Art Basics for Children) houden architectuur voor jongeren tegen het licht. “Jongeren zijn de ideale gebruikers, ze gaan soepel om met ongewone elementen.”

Waarin verschilt bouwen voor de jeugd van het gewone bouwen?

Paul Vandenbussche (TEEMA architecten, Loodskamperen, De Hoge Rielen): Het gebruik van een jeugdcentrum, -huis of school is anders. Het tijdskader voor gebruik is gelimiteerd, wat maakt dat je met een investering zit die een bepaalde periode met leegstand kampt. Vanuit economisch standpunt vul je zo’n gebouw best in met andere functies. Het principe van de Brede School, zeg maar. Dat principe is echter niet altijd haalbaar door heersende eigendomsstructuren. Idealiter moeten we een gebouw zo ontwerpen dat het een continue invulling kan krijgen.

Jonas (ONO architectuur, polyvalent jeugdgebouw De Steen in Bocholt): Polyvalent gebouw is inderdaad aangewezen. Zowel jeugdverenigingen als de teken- en muziekacademie moeten het gebouw kunnen gebruiken, anders doet het enkel in de weekends dienst. Dan stelt zich wel volgend probleem: in hoeverre maakt de jeugdbeweging zich het gebouw eigen? Treden ze daardoor niet in conflict met de andere gebruikers?

Paul Vandenbussche: Esthetiek of architecturale eigenheid moet je bij dergelijke projecten enigszins loslaten. Hou er rekening mee dat zo’n gebouw een eigen leven gaat leiden. Jeugdverenigingen geven hun clublokaal graag een persoonlijke invulling. Een cascostructuur geeft hen experimentele vrijheid die ze nodig hebben. Goede ruimtelijkheid en architectuur werkt in minder afgewerkte vorm ook positief in op de gebruiker. Door een eerder beperkt budget zijn ze ook met minder tevreden, hun verwachtingspatroon wijkt af van dat van een standaard bouwheer.

Erik Wiëers (Collectief Noord, Onthaalgebouw Hoge Rielen): Ik associeer een jeugdgebouw met nonchalance. Er is altijd ruimte om te vertimmeren. Het gebruik zal daardoor oneigenlijk zijn, anders dan gepland, wat bouwen voor de jeugd interessant maakt.

Gerhard Jäger (Art Basics for Children): Ik zie niet meteen wezenlijke verschillen. Jeugdverenigingen of het schoolbestuur moeten net zoals andere bouwheren tevreden gesteld worden door een ontwerp.

 

Dergelijke gebouwen huisvesten verschillende functies onder hetzelfde dak. Hoe moeilijk is het om dergelijke polyvalentie in een ontwerp te implementeren?

Erik Wiëers: Dat is eerder interessant dan moeilijk. Ik zie het als een opportuniteit om een gebouw te mogen ontwerpen dat op verschillende manieren gebruikt zal worden. Jongeren zijn de ideale gebruikers, ze gaan soepel om met ongewone elementen. Een café als inkom in normaliter not done, maar in een jeugdcentrum is dat perfect mogelijk. Zulke elementen door elkaar klutsen, maakt het boeiend.

 

Jeugdhuizen en –centra lijken vaak goedkope gebouwen. Klopt die perceptie?

Erik Wiëers: Ik heb nog nooit een gebouw gerealiseerd waarbij ik het gevoel had dat ik toekwam met het vooropgestelde budget (lacht). Het klopt wel dat bij dergelijke projecten vaak de truc wordt toegepast dat ruwbouw ook afbouw is, waardoor je geld kan besparen. Tegelijkertijd wordt het gebouw dan ook robuuster, wat mooi meegenomen is.

Jonas Lindekens: Bij het jeugdhuis in Bocholt vonden wij de liefde van de jongeren voor hun oude structuur opmerkelijk. Ze vroegen ons om die sfeer terug te creëren in het nieuwe gebouw. Toeters en bellen waren niet aan de orde.

 

In hoeverre verschilt de aanpak van een schoolgebouw in die van een jeugdhuis of –centrum?

Paul Vandenbussche: Eigendomsstructuren en veiligheidsoverwegingen, daar wringt het schoentje in de schoolsector. Er heerst angst om het eigen gebouw los te laten. Nochtans bestaan er al knappe formules. Senioren die boven een school wonen en tijdens de pauze mee surveilleren. Je kan het zo gek niet bedenken, of het bestaat. Maar niet in België. Toch is er een evolutie op til, het klassieke onderwijssysteem gaat verdwijnen op termijn door technologische innovaties.

 

Op welke manieren verzoen je een evoluerend onderwijssysteem met statische architectuur?

Paul Vandenbussche: Bouw flexibiliteit in, sectioneer en ga misschien voor modulaire structuren. De ruimtes mogen niet te gedetermineerd zijn of je zet de mogelijkheid tot verandering klem.

Jonas Lindekens: Vaak hebben gebouwen onbestemde ruimtes die achteraf veel veelzijdiger en functioneler zijn dan je ze ooit had kunnen ontwerpen. Dat kan een circulatieruimte met een overmaat zijn, of de mogelijkheid om een lokaal op te splitsen. Je hoeft geen ingenieuze dingen te bedenken om flexibiliteit te bekomen. Klassieke gebouwen die al 50 jaar bestaan, blijken soms uitzonderlijk flexibel en geschikt om nieuwe onderwijsvormen te huisvesten.

Gerhard Jäger: Wat absoluut ontbreekt in het ontwerpteam, – en dat kan de overheid spijtig genoeg niet verplichten – is een pedagogische coach die de bouwheer en architect bijstaat. Dat zou dé manier zijn om een brug te bouwen tussen de architectuur en de gebruikers van het gebouw. Veel architecten trachten met showarchitectuur in de gespecialiseerde bladen te belanden, maar denken niet na over de basics zoals een functioneel interieur. Het ontbreken van de gebruikers, jongeren en kinderen, is stuitend.

 

In hoeverre is inspraak van de gebruikers mogelijk?

Erik Wiëers: Soms stelt zich de situatie dat de opdrachtgever niet de gebruiker is. Bij schoolgebouwen maakt de directeur de keuze. Leerkrachten krijgen soms inspraak, maar vaak te laat in het ontwerpproces. Kinderen worden zelden tot nooit gehoord. Opdrachtgevers verwachten vaak te veel van een architect, hij zal het allemaal wel uitdokteren. We hebben echter meer baat bij een goede projectdefinitie.

Paul Vandenbussche: Bij De Scholen van Morgen hebben de leerkrachten en de directie inspraak, de kinderen niet. Een andere bepalende partij kan het oudercomité zijn. Je kan helaas geen duizend heren dienen. Op een bepaald moment moet je alle neuzen in dezelfde richting krijgen. Schep daarom een duidelijk kader waarin alle partijen zich kunnen vinden met één leidinggevende figuur die knopen doorhakt waardoor er beslissingen kunnen genomen worden.

Jonas Lindekens: Tijdens het ontwerpproces van De Steen in Bocholt hebben we alle gebruikers intensief geconsulteerd. Dat leverde een rijke bron aan informatie op. Organiserende leden van de verenigingen weten immers wat de noden zijn. De verschillende gebruikersgroepen hebben vaak tegenstrijdige vragen en hebben het moeilijk om voldoende afstand te nemen van hun eigen werking en hun ideale wereld. Een ontwerp voor een polyvalent gebouw moet die vragen en noden correct weten te verenigen.

Gerhard Jäger: De kennis van architectuur bij leerkrachten is problematisch. Sensibiliseer hen, toon leerkrachten internationale schoolvoorbeelden. En laat hen participeren in het ontwerpproces. Architectuur voor jongeren is niet enkel muren een hip kleurtje geven. Idealiter zou er minstens drie keer overleg moeten plaatsvinden tussen de opdrachtgever, de architect en de jongeren en/of leerkrachten. Architectuur is naast leerkrachten en andere peergroepen de derde opvoeder in een school.

 

Welke problematieken stellen zich nog bij bouwen voor de jeugd?

Jonas Lindekens: wij pleiten voor een langer proces. Opdrachtdefiniëringen stoppen vaak te vroeg. Daardoor is er niet voldoende nagedacht over een gebouw en is het niet flexibel genoeg. Een bepaald interieur implementeren kan dan problematisch blijken. De integrale opdracht laat een langer proces wel toe.

Erik Wiëers: Bij wedstrijdformules is het instapmoment in het proces voor de architect eigenlijk te laat. Het zou beter zijn als we de projectdefinitie van in het begin mee mogen opstellen. Op die manier kan je projectreferenties aanhalen en overleg plegen met de bouwheer en idealiter ook met de jongeren en/of leerkrachten. Op die manier maak je het voorbereidend proces mee en kom je samen tot een projectdefinitie waarin iedereen zich kan vinden.

Paul Vandenbussche: Architectuur is een brede en soms zelfs holle term. Onze maatschappij zit vast in structuren en regels, en heeft mensen die die regels niet durven doorbreken. Die structuren moeten eigenlijk eerst stuk om flexibiliteit een kans te geven. De voorbije 60 jaar hebben we zo goed ons best willen doen door alles in regeltjes te gieten, telkens vanuit goede bedoelingen. Die regelgeving verstikt nu alles.

Jonas Lindekens: Bij De Steen in Bocholt moesten we afrekenen met een krachtmeting tussen meerderheid en oppositie. De toenmalige meerderheid opteerde voor een centrumfunctie terwijl de oppositie het complex liever in de rand zag. We hebben het gebouw uiteindelijk in het centrum gerealiseerd omdat we de oppositie hebben kunnen overtuigen van de meerwaarde. Problematieken zoals geluidsoverlast hebben we opgelost met onder meer ontdubbelde muren. Maar een ontwerp kan niet alles oplossen. Tijdens het ontwerpproces moet een wisselwerking ontstaan waarbij verdraagzaamheid van tel is.

 

Wat zijn voor jullie geslaagde voorbeelden in binnen- en buitenland?

Paul Vandenbussche: De drijvende school van NLÉ Architects in Lagos, Nigeria. Het is een duurzaam gebouw dat rekening houdt met de overstromingsproblematiek. Het project heeft een groot maatschappelijk en sociaal belang in de drijvende krottenwijk. Het is multifunctioneel in gebruik, een echte brede school. Het geeft de gemeenschap van deze krottenwijk eindelijk ook een identiteit.

Erik Wiëers: Het kinderdagverblijf De Strandloper van DeSmetVermeulen dat kadert binnen het InterGenerationeel Project LinkerOever (IGLO). Een geslaagd project, zowel qua gebouw als qua uitdrukking. Dit gebouw werkt goed en heeft de juiste uitdrukking : een functionele vreemde paddenstoel. Het verblijf grenst ook aan een woonzorgcentrum waardoor er contact is tussen de bejaarden en de kinderen.

Jonas Lindekens: De pub van Sergison Bates in Wallsall. Dit gebouw kreeg ook een prominente plek in het centrum aan de kade en werd niet weggemoffeld in de rand.

 

Een laatste vraag: hebben jullie nog een gouden tip voor de overheid, voor een bouwheer of voor een ontwerper?

Erik Wiëers: Ontwerpers raad ik aan de tijd die ze verliezen doordat ze niet van in het begin bij het proces betrokken worden, af te dwingen om het gesprek aan te gaan met de gebruikers. De opdrachtgever moet abstractie maken van het programma dat hij nu gebruikt en de overheid moet gaan voor realistische budgetten en realistische normen.

Gerhard Jäger: Participatie is het codewoord. Treed als ontwerper in dialoog met de gebruikers. Opdrachtgevers moeten voldoende tijd nemen om het ontwerpproces z’n gang te laten gaan en de overheid zou moeten ijveren voor drie verplichte overlegmomenten tussen de bouwheer, de architect en de gebruikers.

Paul Vandenbussche: Ontwerpers moeten niet enkel de tijdelijke functie van een gebouw in ogenschouw nemen. Ontwerp voor de toekomst. De opdrachtgever moet voldoende ruimte laten voor andere invullingen in de toekomst. Wat betreft de overheid: maak brede scholen mogelijk en laat ruimte voor evolutie. Maar evolutie institutionaliseren is moeilijk, dat besef ik.

Jonas Lindekens: Ga als ontwerper voor een wisselwerking met de gebruiker. De opdrachtgever moet gaan voor polyvalentie en moet de uiteindelijke knopen doorhakken. De overheid moet een lange termijnvisie mogelijk maken die standvastig is zodat een mogelijke wissel van de politieke macht tijdens het projectproces niet van invloed kan zijn.