Doorzoek volledige site
20 november 2015 | TIM JANSSENS

Pleidooi voor slimme grootschaligheid en functiemix in topdebat op Expo60+

Heel wat bezoekers van Expo60+ zakten af naar de Groene Zaal voor het topdebat omtrent heden en toekomst van onze (ouderen)zorgsector.
Rik Neven (uiterst links) modereerde het debat. Guy Tegenbosch (journalist), Christophe Cousaert (VIPA) en Jorden Goossenaerts (Conix-RDBM) leverden stof tot nadenken.
Guy Tegenbosch: “Rusthuizen zoals we die kenden en woonzorgcentra zoals we die nu kennen zullen passé zijn. Ze zullen vervangen worden door zorgverstrekkingscentra waar het verzorgd worden ergens in de normale woonruimte zal gebeuren.”
Jorden Goossenaerts: “Een van de modetermen van de voorbije jaren is kleinschaligheid. Op zich is dat een goed principe, maar voor mij is het steeds een programmaonderdeel en nooit een doel op zich.”
Christophe Cousaert: “Hoe dan ook zullen we moeten inzetten op functiemix en mogen we geen gebouwen meer neerzetten die gerealiseerd zijn voor één bepaalde doelgroep.”

De toekomst van de ouderenzorg in Vlaanderen is een van de meest complexe vraagstukken die onze overheid en de zorgsector de komende jaren en decennia moeten zien te beantwoorden. Expo60+, de alom bekende vakbeurs voor woonzorgprofessionals die eind vorige week plaatsvond in Mechelen, vormde de perfecte gelegenheid om hier dieper op in te gaan. Beursorganisator Probis bracht architect Jorden Goossenaerts (Conix-RDBM), VIPA-beleidsadviseur Christophe Cousaert en journalist-op-pensioen Guy Tegenbosch samen voor een topdebat, gemodereerd door onze eigen Rik Neven.

Hoe evolueren jullie het huidige aanbod van woonzorgvoorzieningen in Vlaanderen?

Jorden Goossenaerts: Op het vlak van woonzorgcentra is er de afgelopen jaren heel wat gebeurd, maar toch vind ik dat er nog voor een stuk gebrek is aan nieuwe vormen en concepten die de combinatie maken tussen verschillende functies. We zien het al regelmatig dat er andere maatschappelijke functies geïntegreerd worden in woonzorgcentra (bijvoorbeeld een publiek toegankelijke brasserie of een buurtcafé), maar ik denk dat we daar in de toekomst nog meer op moeten inzetten.

Christophe Cousaert: We staan hoe dan ook al een stuk verder dan tien à vijftien jaar geleden, toen er in wezen enkel rusthuizen waren. Desalniettemin denk ik dat het hoog tijd is om een klik te maken en veel meer de kaart trekken van buurtzorg en dienstencentra. We moeten ons ook de fundamentele vraag stellen hoe we onze gebouwen, infrastructuur en publieke ruimte zodanig kunnen inrichten dat mensen effectief zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. We zeggen dat al tien jaar, maar eigenlijk hebben we daar in mijn ogen heel weinig vooruitgang in geboekt. Willen we dit mogelijk maken, dan moeten we een beleid voeren dat vertrekt vanuit buurt- en dienstencentra en minder vanuit een centrale rol voor woonzorgcentra. Ten tweede is er nood aan een grotere variatie inzake woontypologieën. Wat dat betreft, zitten we in Vlaanderen vastgeroest in hokjesdenken – we hebben heel wat woonzorgcentra en assistentiewoningen, maar daar stopt het dan ook. Voorts moeten we zorg op de agenda zetten van andere beleidsdomeinen en een vruchtbare synergie nastreven met wonen en ruimtelijke indeling. En een laatste aandachtspunt is dat we het zorgspectrum moeten verruimen: het is niet enkel een zaak van 85-plussers, maar ook van jongere personen die zorg- of hulpbehoevend zijn.   

Guy Tegenbosch: Ik ben het daar volmondig mee eens. Ik ben blij dat we zijn overgestapt van rusthuizen naar woonzorgcentra, al zijn we nog steeds erg eng aan het denken – alsof ouderenzorg louter het verticaal klasseren van ouderen in rusthuizen omvat. Het is totaal uitgesloten dat we in Vlaanderen ooit voldoende woonzorgbedden zullen hebben, dus de vraag is eerder hoe we de omgeving waarin we wonen in het geheel kunnen aanpassen aan ouderen, personen met een handicap, minder mobiele mensen en gezinnen met kinderen. Aangezien alle bestaande actoren er niet in geslaagd zijn om dit proces te versnellen, is er nood aan allianties tussen deze verschillende groeperingen, opdat ze samen op lokaal en Vlaams niveau een voldoende sterke lobby kunnen vormen en op politiek vlak een en ander in beweging kunnen zetten. Maar zelfs als dit zou lukken, stoot je nog altijd op zaken als de gebrekkige toegankelijkheid van het openbaar vervoer. Het probleem zit ‘m niet in het rollend materieel, maar in de bereikbaarheid van stations en de onaangepaste inrichting van 90 procent van de haltes.

 

Er wordt vaak gepleit voor het doorbreken van de strikte scheidingen tussen verschillende hulpbehoevenden, het afschaffen van speciale afdelingen voor gehandicapten of dementerenden en synergie met de rest van de maatschappij. Hoe kunnen we dit vertalen naar de realiteit?

Jorden Goossenaerts: Allereerst moeten we een zeer open benadering aan de dag leggen bij het programmeren van vastgoed in het algemeen en zorginfrastructuur in het bijzonder. Als we een zorgexploitatie kunnen uitdenken die het mogelijk maakt om er ook andere doelgroepen bij te betrekken, zijn we al op de goede weg. In samenwerking schuilen heel veel kansen. We kunnen de nood aan zorgvastgoed gebruiken om ook op andere vlakken meerwaarde te genereren. Een van de modetermen van de voorbije jaren is kleinschaligheid. Op zich is dat een goed principe, maar voor mij is het steeds een programmaonderdeel en nooit een doel op zich. Je kan gerust kleinschalige concepten integreren in een grootschalig geheel – dat sluit elkaar niet uit. We hebben echter net die grootschaligheid nodig om aantrekkingskracht te genereren. Vandaar dat ik ook pleit voor ouderenzorg in stads- en dorpscentra. 

Christophe Cousaert: Er wordt hard gewerkt aan de ruimtelijke integratie van ouderenzorg, maar het blijkt voor veel mensen toch nog een enorme stap om zich naar publiek toegankelijke faciliteiten op woonzorgsites te begeven, zeker als ze er geen familie hebben wonen. Als je de bouw van woonzorgcentra deel kan laten uitmaken van grotere programma’s met onder meer woonfuncties, een dienstencentrum of een supermarkt, dan is die drempel al veel minder groot. Ik denk dat daar wel degelijk toekomst in zit.

 

Over de toekomst gesproken: hoe zien jullie het woonzorggegeven de komende tien à twintig jaar evolueren?

Guy Tegenbosch: Rusthuizen zoals we die kenden en woonzorgcentra zoals we die nu kennen zullen passé zijn. Ze zullen vervangen worden door zorgverstrekkingscentra waar het verzorgd worden ergens in de normale woonruimte zal gebeuren. Woonzorgcentra zullen meer uitzondering dan regel zijn. Het probleem is echter dat verschillende (zorg)functies momenteel moeilijk te combineren zijn door de veelheid aan regelgeving – de regelgeving met betrekking tot een cafetaria in een rusthuis of een buurthuis is helemaal anders. De overheid remt zo een heel aantal zaken af. De enige manier om deze obstakels op relatief korte termijn weg te werken is via het maken van allianties. Anderzijds zouden zorgverstrekkers en architecten de groeperingen waarvoor ze werken mee moeten nemen in het proces door ze te betrekken bij het definiëren van projecten. Ze moeten leren kijken vanuit het oogpunt van de uiteindelijke gebruikers.

Jorden Goossenaerts: Ik kan alleen maar voor onszelf spreken, maar wij proberen dit toch zo veel mogelijk te doen. Naar aanleiding van de bouw van een psychiatrisch ziekenhuis hebben we een gelijkaardig gebouw bezocht om aan te voelen wat je als gebruiker nodig hebt en wat het bijvoorbeeld inhoudt om in een afzonderlijke kamer te verblijven. Tegelijk denk ik dat je daar als architect ook niet te ver in moet gaan. Het is vooral de samenwerking met de exploitant en de mensen die de zorgfilosofie elke dag in de praktijk brengen die waardevol is. Zij leren ons wat belangrijk is op zorgtechnisch vlak, terwijl wij hen reflexen bijbrengen om de juiste beslissingen te nemen op vastgoedvlak. Uiteindelijk gaat het toch telkens om grote investeringen, dus als je slechte beslissingen neemt, dan zit je daar jarenlang mee opgescheept. Het spreekt voor zich dat we dit moeten proberen te vermijden, zeker als we in de toekomst sneller willen inspelen op nieuwe inzichten.

Wat die toekomst betreft, denk ik dat we enorme kansen hebben. We hebben geleerd uit het verleden en zijn in plaats van monofunctionele complexen flexibele vastgoedstructuren aan het maken waar naast zorg ook andere functies hun plaats kunnen hebben. Zorg wordt meer en meer een verhaal van wonen – we willen allemaal zo lang mogelijk thuis blijven wonen, dus waar je woont, moet je ook op een efficiënte manier verzorgd kunnen worden. Vandaar dat we de moed moeten hebben om grootschalige realisaties neer te zetten. Dit hoeft zoals eerder aangegeven niet te betekenen dat ze grootschalig aanvoelen en dat ze geen kleine korrel in zich kunnen dragen – daarvoor kunnen architecten de oplossing bieden. Maar als we grootschalig denken, dan maken we gehelen waar we behoeften die we vandaag (nog) niet kennen kunnen terugvinden in eigen omgeving. Eén probleem: momenteel beperkt ons vastgoed ons daarin, dus dat moeten we zien open te breken.

Christophe Cousaert: Hoe dan ook zullen we moeten inzetten op functiemix en mogen we geen gebouwen meer neerzetten die gerealiseerd zijn voor één bepaalde doelgroep. Ik heb wel het idee dat het Vlaams regeerakkoord de nodige kapstokken bevat om zorg en ruimtelijke ordening beter op elkaar af te stemmen en alternatieven te ontwikkelen. Maar waar we altijd over zullen moeten waken, is hoe de uiteindelijke gebruiker het gebouw beleeft. Als grootschaligheid impliceert dat we complexen met drie- tot vijfhonderd rusthuisbedden en lange gangen maken, dan ben ik geen voorstander. Houdt het daarentegen in dat we goed geoliede gehelen met driehonderdvijftig wooneenheden bouwen waarvan een deel specifiek aangepast is aan zorgbehoevenden, dan ben ik er wel voor gewonnen. Een ander cruciaal aandachtspunt is de toegankelijkheid van woningen en openbare infrastructuur, zodat het gros van de zorgbehoevenden ondanks hun nood aan externe hulp toch nog in zijn of haar eigen woning kan blijven leven. Eventueel zouden we dit zelfs in bouwrichtlijnen moeten gieten, want toegankelijkheid zou een vanzelfsprekend basisprincipe moeten zijn.

 

Op het vlak van toegankelijkheid is er dus nog heel wat vooruitgang te boeken?

Guy Tegenbosch: Jazeker, en wat dat betreft ben ik in alle eerlijkheid vrij teleurgesteld in onze architecten. Er wordt al tien jaar gesproken over universal design (wat eveneens toegankelijkheid omvat), dus ik zou denken dat geen enkele ontwerper het nog zou aandurven om te bouwen zonder.  De grote veranderingen die moeten gebeuren, vereisen uiteraard grote nieuwbouwprojecten, maar allereerst moeten we toch ook onze bestaande gebouwen, infrastructuur, steden en gemeenten aanpassen aan de nieuwe inzichten. Als architecten de principes van universal design niet uit zichzelf toepassen, dan moeten we hen daartoe verplichten.

Jorden Goossenaerts: Toegankelijkheid is niet nieuw, dus ik denk dat architecten daar wel degelijk rekening mee houden. Flexibiliteit is een ander verhaal. We hebben al verschillende oefeningen achter de rug om na te gaan hoe je een (zorg)gebouw multifunctioneel maakt en betaalbaar houdt. We hebben het vastgoedgegeven daarbij benaderd in verschillende geledingen (structuur, schil en inbouwpakket). De structuur is bijna het voortvloeisel van de grond: hij moet er voor jaren kunnen staan. Ik pleit er ook voor om hem langjarig te kunnen financieren, zodat er ruimte vrijkomt om een bepaalde nood te vervullen aan de hand van een zeer specifiek, aanpasbaar inbouwpakket. Als er op een bepaald niveau woonzorgvoorzieningen komen, dan moet de inrichting voldoen aan de eisen van dat moment en hoeven we geen rekening te houden met de school die er eventueel twintig jaar later zal komen. Maar het moet wel zo zijn dat de opbouw van de gevel die nieuwe functie niet belemmert. Als we op een dergelijke manier kunnen omgaan met ons vastgoed, dan zullen we aan alle eisen voor de verschillende geïntegreerde functies kunnen voldoen.    

 

In hoeverre kan onze (ouderen)zorg de vergelijking met die van andere landen doorstaan? Zijn we pioniers? Bevinden we ons in de middenmoot? Of hinken we helaas hopeloos achterop?

Christophe Cousaert: Wij Vlamingen moeten niet te bescheiden zijn. We mogen fier zijn op de kwaliteit van onze zorg. Ons aanbod is wel erg residentieel en beperkt qua alternatieven. Alles buiten woonzorgcentra en assistentiewoningen wordt beschouwd als ‘creatief’. Qua typologieën, financieringssystemen en het combineren van functies kunnen we bijvoorbeeld nog leren van Nederland en Scandinavië.

Jorden Goossenaerts: Scandinavië is een inspirerende regio. Ze zijn er sterk in collectiviteit en intergenerationeel wonen. Als je eigen omgeving verrijkend is en mogelijkheden tot zorgverlening biedt, dan is er simpelweg geen reden om te verhuizen naar (ouderen)zorginstellingen. Ook Zwitserland is steeds een enorme inspiratiebron omdat de gebouwen er conceptueel gezien doorgaans erg doordacht zijn. In Duitsland zijn er eveneens een aantal mooie voorbeelden te vinden. Op een studiereis in Berlijn hebben we een project bezocht waarbij een shoppingcenter gecombineerd is met woningen en een hotel. We hebben de rest van ons programma die dag geschrapt omdat het er zo leuk vertoeven was. Dat kan hier ook, maar we moeten durven en de kans grijpen om zulke realisaties mogelijk te maken. In Amerika zie je dat de jeugd betrokken wordt bij het zorgen voor oudere mensen, iets wat we hier ook zouden moeten introduceren. Kortom: het gaat niet zozeer om de gebouwen, maar om de beleving die we hier nog missen. 

Guy Tegenbosch: De kwaliteit van onze zorg is inderdaad goed, maar we denken wat te instellingsgebonden. De gehandicaptensector heeft een bocht genomen met de persoonsgebonden financiering, en op termijn zal dat ook in de ouderensector zo zijn. De overheid zal dus geen instellingen meer financieren en mensen zullen hun rugzakje met zorgbudget op maat kunnen besteden. Maar met onze huidige mindset zijn we nog niet klaar voor deze evolutie.

 

Wat zou de overheid moeten doen om de kwaliteit van onze (ouderen)zorgverstrekking te verbeteren. Hebben jullie een concrete tip voor minister Vandeurzen?

Jorden Goossenaerts: Het privatief eigendom vormt een belemmering inzake flexibiliteit en vastgoedwaarde op de lange termijn. We moeten dat uiteraard niet afschaffen, maar wel herdenken. Als je ziet dat assistentiewoningen dikwijls bij verschillende eigenaren terechtkomen, die dan via een vereniging van mede-eigendom moeten garanderen dat er ook in de toekomst zorgverlening zal plaatsvinden, dan kan je toch spreken van een moeilijk verhaal. Mochten we nu gebouwen kunnen maken waarvan we vloeren in plaats van appartementen of wooneenheden verkopen, dan blijf je in de mogelijkheid om de vloer op termijn opnieuw in te delen. Liever 25 procent van een vloer met appartementen dan geen appartementen tout court.

Christophe Cousaert: Dankzij de zesde staatshervorming en de kansen die Vlaanderen op het vlak van ouderenfinanciering krijgt, kunnen we fundamentele keuzes maken. En met wat tegenwoordig voorhanden is qua functiemix en alternatieve woonvormen, kunnen we het experiment echt wel een kans geven. Minister Vandeurzen heeft dat de afgelopen vier jaar al gedaan via de pilootprojecten zorg, maar ik hoop dat dit geen eenmalig verhaal was, zodat we ook in de toekomst innovatieve modellen en concepten kunnen uittesten in een regelluw kader. Een tweede aanbeveling is dat we woonzorgcentra niet moeten beschouwen als de centrale typologie, maar slechts als een van de vele opties. De overheid moet eveneens over het muurtje durven kijken en good practices uit de gehandicaptensector toepassen in de ouderenzorgsector. Tot slot zou ze zorg op de agenda van andere beleidsdomeinen moeten zetten (wonen, ruimtelijke ordening…). Ik denk wel dat de samenstelling van de Vlaamse regering van die aard is dat er waardevolle strategische beslissingen kunnen worden genomen.

Guy Tegenbosch: Mijn tip is tweeledig. Pak enerzijds het fenomeen eenzaamheid aan, want het is een van de grootste bedreigingen voor ons algemeen welzijn. En creëer anderzijds synergie met het beleid rond ruimtelijke ordening, wonen en onderwijs (waarom geen vrijwillige ouderenzorg implementeren in de leerprogramma’s?). We moeten die gesloten circuits doorbreken en toegevoegde waarde realiseren door verschillende aspecten slim te combineren.