Doorzoek volledige site
26 november 2015 | CARMEN MARTENS

Carmen Martens: "Westerse architect kan veel leren van Afrikaanse collega"

Studente Carmen Martens aan het werk in Tanzania.

Wat en hoe moet architectuur zijn? Een vraag die studente architectuur aan de UHasselt Carmen Martens vanaf dag één tijdens haar opleiding bezighield. Haar visie op architectuur werd echter volledig bijgestuurd door vrijwilligerswerk in Tanzania. "Het behoud van culturele diversiteit en respect voor de omgeving zijn twee belangrijke Afrikaanse basisvoorwaarden voor goede architectuur. Voorwaarden die in mijn ogen bij ons soms verloren gaan."

"Zie mij hier zitten, op een bankje in de oorspronkelijke bedding van de Turiarivier. Ik bevind mij in de futuristische stad van Calatrava, de stad in de stad. Ik moet toegeven dat ik, voordat ik hier op Erasmus kwam, geen idee had van wat Valencia mij ging bieden. De enige link die ik met deze stad kon leggen, bestond uit deze toeristische attractie La Ciudad de las Artes y las Ciencias en Veles e Vents, David Chipperfields pareltje dat prominent onderdeel uitmaakt van de Valenciaanse jachthaven. Een gebouw dat er gekomen is nadat de stad de nominatie voor de America’s cup, een zeilrace, in de wacht sleepte.

Deze starchitecten brengen met hun opmerkelijke gebouwen een nieuwe toeristische allure aan de stad, het Bilbao-effect. Al blijkt de kritiek op Calatrava toch gigantisch groot te zijn. Tijdens mijn lessen aan de Universitàt Politècnica de València wordt er met geen woord gerept over deze voormalige alumno. Wanneer ik vragen stel aan de studenten, laten ze allen duidelijk hun afkeur blijken. Laten we al maar zwijgen over de talrijke rechtszaken die hij overal ter wereld aan zijn been heeft. The New York Times bekritiseerde in 2009 zijn project voor het vervoersknooppunt op Ground Zero. De krant schreef over de opvallende discrepantie tussen de extravagantie van de architectuur en de bescheiden functie ervan’. Iets wat mij ook hier in Valencia opvalt. Ondanks de hoge budgetten die de stad neertelde voor deze spektakelprojecten, lopen de functionele gebreken en dus ook de onderhoudskosten hoog op. Enkele staan zelfs leeg.

Tijdens de Semana de la Arquitectura 2015 woonde ik hier een interessante lezing bij: ‘Valores de arquitecto’. Vier Spaanse architecten: Manuel Ocaña, Tomás Llavador, Rafael Tamarit en een van mijn favorieten, Fran Silvestre, deden er elk hun zegje over de manier waarop zij architectuur zien en hoe ze ermee omgaan. Niet dat ik de Spaanse monologen volledig kon volgen, maar de boodschap was duidelijk: focus als architect meer op kleine projecten. Het zijn de dingen waar je meer voldoening (en geld) uit haalt. Verpruts je tijd niet aan zenuwslopende architectuurwedstrijden of aan starchitectuur, maar onderzoek de echte noden van je klanten en bied ze zo meer kwaliteit. José María Tomás Llavador leverde voor mij het mooiste citaat van de avond: “Mijn ultieme ontwerp is datgene waar ik nooit meer iets over hoor.”. Een gebouw dat helemaal voldoet aan zijn eisen, een gebouw dat de mensen gelukkig stemt, een gebouw dat klopt.

Ik denk dat het in elk van ons zit, de beste willen zijn. Al vanaf dag één op de Universiteit van Hasselt wilde ik gaan voor dát beste ontwerp, dát opvallende design. Hetgeen de professoren zou bijblijven. Architectuur draaide bij mij rond het creëren van opmerkelijke dingen.

Na mijn vrijwilligerswerk in Tanzania is die visie bijgestuurd. Iets mooi willen creëren staat hand in hand met functioneel gebruik, logica, budgetten beheren, bewust omgaan met energie, etc.

Waarom ben ik naar Afrika getrokken? Ik denk uit zucht naar avontuur, misschien uit idealisme, maar vooral uit nieuwsgierigheid naar wat architectuur mij buiten school kan bieden. De omslag in de ontwikkelingspolitiek van westerse landen, van projectgericht naar adviesgericht, is al langer bekend, maar wordt het niet eens tijd dat de westerse landen durven omkijken en leren van Afrikaanse landen? Het is misschien niet mogelijk om het Afrikaanse leven te projecteren op onze gemeenschappen, toch denk ik dat we eens wat vaker moeten stilstaan en openstaan voor de manier waarop die mensen daar (moeten) leven. Het behoud van culturele diversiteit en respect voor de omgeving zijn twee belangrijke Afrikaanse basisvoorwaarden voor goede architectuur. Voorwaarden die in mijn ogen bij ons soms verloren gaan. In Afrika staat kwaliteit in de eerste plaats voor een duurzaam, goed ontworpen en onderhoudsvrije shelter tegen het klimaat. Op het Afrikaanse platteland is er geen vraag naar stijlvastheid of stijlvormen, naar modes of avant-gardes. Een architectuur van eenvoud impliceert een natuurlijke omgang met materialen en technologie, bescheiden én hoogwaardig. Dit is de sleutel voor goed bouwen, in Afrika én de westerse landen. 

In de Afrikaanse stad kan alles. De openbare ruimte is onderdeel van de gemeenschap en alle activiteiten en ontmoetingen zijn geconcentreerd op de straat. De stad past zich aan aan de mensen, en niet de mensen aan de stad. Wat westerse ontwerpers kunnen leren van deze specifieke verstedelijking, is de kracht van het zelfgenererend vermogen. Stedelingen kunnen zelfstandig onderling heel veel bewerkstelligen zodra ze voor de uitdaging gesteld worden.

Maar wie ben ik om kritiek te geven. Ik wilde gewoon graag mijn bevindingen met jullie delen. De prachtige tijd die ik heb meegemaakt in Afrika en vooral de mentaliteit die mij zo hard heeft aangesproken. Het heeft mij doen nadenken over de manier waarop wij hier in België omgaan met architectuur, of toch hoe ik ermee omging, en het echte doel van deze stressvolle studie. Een vak dat zonder passie niet vol te houden is.

Afrika heeft mij doen relativeren en doen nadenken over omgaan met stress en perfectionisme. In deze proeftuin heb ik geleerd om voor alles een oplossing te zoeken en als de menselijke inventiviteit volledig is uitgeput, met minder tevreden te zijn. Het gebrek aan middelen en deskundigheid, materiaalschaarste en klimaatgerelateerde beperkingen vragen van de architect een grote  wendbaarheid en bescheidenheid in het oplossen van zowel ontwerptechnische als praktische problemen. 

Maar zonder de plaatselijke families en buren was dit natuurlijk allemaal nooit mogelijk geweest. Het hele project, gaande van ontwerp tot opbouw, bestond uit een continue interactie tussen ons, twee blanke Belgische meisjes, en het dorpje Mikocheni. Samen met hun input van ideeën, alsook de ongelooflijke fysieke kracht die zij leverden, zijn we tot een mooi resultaat kunnen komen. Een nieuwe manier van bouwen die hopelijk verder verspreid zal worden in het dorp en misschien ook daarbuiten."