Doorzoek volledige site
09 december 2015 | FILIP CANFYN

Steen&Been (column Filip Canfyn): Braem revisited

Oudaan. Illustratie | GVA
Filip Canfyn Illustratie | Canfyn

Bij de heruitgave van Het Lelijkste land ter wereld van Renaat Braem, werd Filip Canfyn door het blad Ons Erfdeel gevraagd een recensie te schrijven. Zijn tekst werd geweigerd. Nu zijn zoon voor zijn ontwerpproef het Oudaan-gebouw moet aanpakken, haalt hij deze recensie van onder het stof. "Om ook eens lekker averechts te zijn."

Mijn zoon moet voor zijn ontwerpproef derde jaar in Gent het momenteel ingepakte Oudaan-gebouw in Antwerpen aanpakken. Zo komt good old Renaat Braem weer eens ter sprake aan onze eettafel. Nog altijd heet hij controversieel te zijn, Corbusiaans maar averechts en bovenal auteur van het iconische “Het lelijkste land ter wereld” (Davidsfonds, 1968).

Bij de heruitgave van zijn polemisch epistel enige jaren geleden werd ik gevraagd door het gerespecteerde blad “Ons Erfdeel” een recensie te schrijven. Mijn tekst werd geweigerd. Ik neem hieronder een stuk uit die toenmalige recensie over. Om ook eens lekker averechts te zijn.

 

“Wie architect is of wie belangstelling voor architectuur heeft, of nog erger, wie geen jota verstand van architectuur heeft of wie het niet kan schelen wat architectuur is, kortom, de totale bevolking heeft ooit al de titel van dit dunne boekje geciteerd, tegen beter weten in. Niet alleen “Het verdriet van België” van Hugo Claus is het meest ongelezen maar goed in het roddelvet liggend magnum opus. Mijn eerste kennismaking met dit boekje is ondertussen al dertig jaar oud. Ik heb nog vage herinneringen, van tekeningen vooral, maar ik ook was meer onder de indruk van de titel dan van de inhoud. Eerlijk gezegd, het herlezen valt me dik tegen. Om twee redenen.

Primo, wie ons land het predicaat ‘het lelijkst’ op het voorhoofd drukt moet daar toch een reden voor hebben én geven. De argumenten, die Renaat Braem bovenhaalt om zijn negatieve evaluatie draagvlak te geven, zijn echter té universeel en té overal van toepassing. De oplossingen, die hij formuleert om tot een positieve evolutie te komen, zijn nog zieker in hetzelfde bedje, dus nog algemener, zodat het mij geenszins duidelijk is waarom nu net België of Vlaanderen van de kletsen moeten delen. Waarom is Nederland niet het lelijkste land? Of Kazachstan? Of Guatemala? Joost mag het weten maar Renaat niet en ik zeker niet.

Secundo, zijn oplossingen om ons vaderland minder lelijk te maken klinken belegen, toén en bijna vijftig jaar later. Zijn potpourri van gratuite kinderlijkheid, gênante bourgeoisfilosofie, strak spannend marxisme, vroegrijp ecologisme, potsierlijk christenhumanisme, defaitistisch anticonsumentisme en misplaatst flamingantisme, kortom, zijn mengelmoes van hoogdravende truken van de foor ruikt in elk geval duf, mottig, verschaald en rancuneus.

Zijn slotboodschap voor wie nog ver in het boekje van 68 bladzijden is blijven lezen raakt kant noch wal, in 1968 niet én ook nu niet. De CIAM-doctrine wordt met een soeplepel de strot ingeduwd alsof deze denktrant een verworven recht is of niet achterhaald en vooral onleefbaar gebleken is. Braem meent vooral te weten wat het volk wil. Het volk zelf weet intussen beter en is een halve eeuw jaar slimmer, zelfbewuster en vooral meer egocentrisch en bezitterig geworden. Het zou niet meer slikken dat de open ruimte alleen maar kan gevrijwaard worden met hoogbouw, dat alle grond onteigend wordt, dat wonen alleen thuishoort in een prefaboptrekje. De Vlaming, de koning van dat lelijkste land, zou in opstand komen.

Het boekje overleeft een beetje dankzij wat welluidende citaten. Het Davidsfonds, dat als uitgever toch uit een gans ander hout dan architect Braem gesneden werd, heeft misschien louter daarom zijn persen losgelaten op dit mager geschrift. Twee quotes wil ik zelf alvast onthouden: “Het is niet het wonen, noch de arbeid, noch kultuur of ontspanning, die het voorwerp der bekommernissen vormen, maar het verkeer. Het is alsof de stilstaande mens minder interessant zou zijn dan de mens in beweging.” (p. 29) en “Dit alles is vreselijk om schrijven. Ik doe niet het minst aan welke politiek ook – ik spreek slechts als architect, iemand die van orde en schoonheid houdt en hard roept om niet medeplichtig te zijn aan de chaos en de lelijkheid, die over ons heen gaan als een stinkende vloedgolf.” (p. 63)

Renaat Braem had beter een column geschreven. Desnoods met dezelfde titel.”