Doorzoek volledige site
16 december 2015

Terugblik The Competition Hasselt

Illustratie | Willem Verhaeg | verhaegvisualarts@gmail.com
Illustratie | Willem Verhaeg | verhaegvisualarts@gmail.com
Illustratie | Willem Verhaeg | verhaegvisualarts@gmail.com
Illustratie | Willem Verhaeg | verhaegvisualarts@gmail.com
Illustratie | Willem Verhaeg | verhaegvisualarts@gmail.com
Illustratie | Willem Verhaeg | verhaegvisualarts@gmail.com

In de aula Louis Verhaegen in de oude gevangenis van Hasselt verzamelden op 7 december een garde Limburgse architecten voor de vertoning van The Competition, de architectuurdocu van de Spaanse regisseur en architect Angel Borrego Cubero. Na afloop werden de 268 aanwezigen getrakteerd op een kort en snedig panelgesprek. 

Architectura.be, Architectuurwijzer, Architectenhuiskamer en Universiteit Hasselt sloegen de handen in elkaar om de documentaire The Competition te tonen aan het Limburgse publiek. Ze kregen hierbij de steun van Eternit, Rockwool, Reynaers Aluminium, Signburo en Vandersanden Group.

De filmdocumentaire The Competition, geregisseerd door Angel Borrego Cubero, volgt vijf van de gerenommeerde architectenbureaus (Zaha Hadid, Jean Nouvel, Frank Gehry, Dominique Perrault en Norman Foster) in het ontwerpparcours tijdens de architectuurwedstrijd voor het Nationaal Museum van Andorra. Het ontwerpproces van zo’n viertal weken en zelfs de presentaties voor de jury werden gefilmd en gemonteerd tot een documentaire van 90 minuten. Hierdoor leken de Pritzker Prize-genieën karikaturen te worden. Ongetwijfeld werden de aanwezigen op een humoristische manier geconfronteerd met zichzelf.

 

Panelgesprek

Tijdens de aftiteling werd alles klaargezet voor het afsluitende panelgesprek rond het thema Architectuurwedstrijden. Moderator Jo Berben (a2o architecten) stelde Elisabet Iglesias (ILB architecten), Veronique Claessens (directeur Technische Dienst stad Genk), Iwert Bernakiewicz (UHasselt) en Ward Verbakel (plusofficearchitects) voor aan het publiek. 

Elisabet Iglesias gaf te kennen gelukkig te zijn met de cultuur van architectuurwedstrijden zoals we ze vandaag kennen. Door de vrij nieuwe aanpak - de wetgeving rond wedstrijden is immers nog niet zo oud - worden kansen gecreëerd voor ontwerptalent en niet zozeer voor politiek talent. Bovendien hebben systemen zoals o.a. de Open Oproep ervoor gezorgd dat de Vlaamse Architectuur in concurrentie werd gezet met het buitenland. Deze mening werd beaamd. De afgelopen 15 jaar is er in Vlaanderen heel wat interessante architectuur opgedoken. Bovendien versterkt een deelname aan een wedstrijd het groepsgevoel binnen het kantoor en houdt het je ook scherp. Daarnaast kunnen architectenbureaus ook veel van elkaar leren volgens Iwert Bernakiewicz. Een inzage in elkaars insteken en voorstellen zou verhelderend kunnen werken en zou ook de eindbeslissing aanvaardbaar kunnen maken. Toch werpt Ward Verbakel op dat de filmvoorstelling en het panelgesprek geen oproep moet worden aan alle architecten om deel te nemen aan wedstrijden. Elk bureau heeft namelijk zijn eigen specialiteit, organisatie en talent om voor een bepaald cliënteel te ontwerpen. Zo geeft hij grif toe dat zijn kantoor er maar niet in lijkt te slagen om een particuliere opdrachtgever in zijn bouwavontuur tot het einde te begeleiden.

Veronique Claessens sluit zich aan bij Norman Foster in de documentaire die stelt dat het belang van de organiserende inrichting niet te onderschatten is om tot een goed eindresultaat te komen. Zo streven ze er binnen de stad Genk naar om de juryleden in de mate van het mogelijke reeds bij de projectdefinitie te betrekken en willen ze vanaf het begin duidelijk stellen op welke basis er beoordeeld zal worden. Ze gaan op zoek naar een antwoord op de gestelde vraag. Voor hen is het concept, het onderzoek, de discussie en het afgelegde discours des te belangrijker dan het eindbeeld. Ze waarschuwt hierbij voor de beeldobsessie die de laatste tijd is ontstaan. Het geleverde werk dat vandaag wordt ingediend gaat vaak ver, te ver soms.

Hier wordt op ingepikt door de vraag te stellen waarom het ereloon dan zo vaak zo hoog gequoteerd staat. Ward Verbakel stelt dat het vaak op het volgende neerkomt: “het laagste ereloon voor het meeste te bouwen”. Dit terwijl het effect van het ereloon minimaal is gezien over het totale kostenplaatje. Veronique reageert hierop door het probleem bij de architecten zelf te leggen. “Het is hallucinant hoe jullie elkaar beconcurreren en onder elkaars ereloon ingaan.” Ze is van mening dat architecten en hun beroepsverenigingen bijzonder slecht zijn georganiseerd en roept de Orde van Architecten op om een duidelijk kader te stellen. Het afschaffen van de barema’s is volgens Veronique een vergissing.

Elisabet lijkt het niet eens te zijn met Veronique. Zij wijt de huidige gang van zaken aan een maatschappelijk probleem. Het beroep van architect is zijn aanzien verloren, wordt ondergewaardeerd in tegenstelling tot de geneeskunde. Zij heeft het gevoel dat je je als architect telkens weer moet verantwoorden. Feit is dat dit zeker niet de eerste discussie over het thema is. Ongetwijfeld werd na het afsluiten van het panelgesprek over dit thema nagekaart tijdens de receptie in de foyer.