Doorzoek volledige site
24 februari 2016 | TIM JANSSENS

Interessante discussies rond stedelijke open ruimte op colloquium Metropolitan Landscapes

Metropolitan Landscapes is een ontwerpend onderzoek naar de sturende rol van open ruimte in het metropolitane gebied van Brussel en de rand, een gezamenlijk initiatief van enkele Brusselse en Vlaamse administraties. Op een colloquium in het majestueuze BIM-gebouw gingen verschillende betrokkenen met elkaar in debat en werd het boek voorgesteld waarin de resultaten van het onderzoek gebundeld zijn. Een collectief reflectiemoment dat smaakt naar meer…

 

Metropolitan Landscapes dient zich aan als een constructieve dialoog tussen verschillende sectoren en ruimtegebruikers in het Brusselse metropolitane gebied. De hamvraag is hoe open ruimte een actievere, structurelere rol kan vervullen in stedelijke ontwikkeling. “Open ruimte mag niet beschouwd worden als een blinde vlek, maar moet een wezenlijk onderdeel van de stad vormen”, stelde moderator Joachim Declerck (Architecture Workroom Brussels) in zijn openingswoord. “Betere coalities tussen verschillende ruimtelijke functies – architectuur, mobiliteit, ecologie, recreatie … - zijn essentieel. Het metropolitaan netwerk van onze hoofdstad is een sociospatiale eenheid die de gemeentelijke grenzen overschrijdt, die de klassieke tegenstelling tussen stad en platteland doet vervagen en die een urbaan en ruraal landschap met elkaar verweeft.” Een a-priorisynthese die waarnemend Vlaams Bouwmeester Stefan Devoldere en Brussels Bouwmeester Kristiaan Borret alleen maar konden onderschrijven: “Een metropolitaan landschap wordt vaak beschouwd als een niet-bebouwde ruimte, maar we mogen zeker niet vergeten dat ze onze samenleving specifieke diensten verschaft (kwalitatief voedsel, luchtkwaliteit, recreatie, visuele meerwaarde …). Het komt er dan ook op aan om in bouw- en stadsontwikkelingsprojecten een win-winsituatie te creëren waarin open ruimte een cruciale rol vervult.”

 

Inspiratie bieden

Het ontwerpend onderzoek in het Metropolitan Landscapes-project speelde zich af op twee schaalniveaus en in twee fases. Allereerst formuleerde een multidisciplinair team, bestaande uit Bureau Bas Smets en LIST, een definitie van het Brussels metropolitaan landschap. Anderhalf jaar lang werkten ze nauw samen om dit zowel vanuit landschappelijk als stedenbouwkundige hoek te duiden, met toegankelijkheid, programmatorische waarde en netwerkinterferentie als voornaamste criteria. Vervolgens ontwikkelden vier ontwerpteams een herinrichtingsconcept voor een projectgebied dat hen specifiek toegewezen werd – de Molenbeekvallei (Bureau Agence Ter), Scheutbos-Weststation (Coloco, Gilles Clément en Studio DEV space), Vilvoorde-Machelen (LOLA landscape architects, Floris Alkemade architect en Grontmij) en Drogenbos-Anderlecht (WIT-architecten, OSA, Annabelle Blin en Philip Stessens). Een vruchtbare denkoefening die niet tot doel had om tot finale masterplannen te komen, maar die in een later stadium vooral inspiratie moet bieden bij de eventuele concrete uitwerking van zulke projecten.

 

Collectiever denken

De bevindingen die in het onderzoek naar voor kwamen, werden gewikt en gewogen in twee panelgesprekken. Collectiever denken in plaats van op individueel perceelsniveau moet een van de prioriteiten zijn, luidde het. Een andere belangrijke vaststelling bestond erin dat een stad een clash is tussen verschillende infrastructuren – bovendien vaak daar waar ook landschap nodig is. Anders gesteld: hoe kunnen we in de toekomst waardevol landschap creëren door mee te surfen op investeringen in infrastructuur? “Stad en infrastructuur kunnen niet zonder elkaar, dus infraprojecten moéten het landschap wel mee vormgeven”, opperde densificatie-expert Bruno Bernard. “Landschap kan overigens structurerend zijn voor tal van andere functies dan natuur.” Conclusie: de rol van het landschappelijke mag gerust nog wat performanter, de koppeling met lokale dynamiek is meer dan ooit nodig en grote infraprojecten kunnen niet zonder maatschappelijk draagvlak.

 

Afstappen van achterhaalde ideeën

Na het tweede panelgesprek was het aan Eric Corijn om zijn visie op het onderzoek uit de doeken te doen en als dusdanig het derde en laatste panelgesprek van de dag in te leiden. Corijn is professor emeritus in Sociale en Culturele Geografie aan de Vrije Universiteit Brussel en heeft dus een klare kijk op de zaak. “Het onderzoek wijst uit dat Brussel groter is dan de administratieve grenzen doen vermoeden. Elke vorm van planning moet dus grensoverschrijdend zijn. De concentrische benadering van het concept ‘stad’ is aan herziening toe. Verstedelijking heeft ervoor gezorgd dat de rand niet langer die groene gordel van weleer is. De figuur van de verdichte stad en de dunne rand moet worden omgekeerd, en ook van het idee van het hinterland als homogene gordel moeten we gezien zijn diversiteit dringend afstappen. We moeten nagaan hoe we via een ruimtelijk ontwerp tot een maatschappelijk project kunnen komen. Urbanisten, architecten en ingenieurs denken in maakbare infrastructuur, terwijl de vraag vooral is welke positie een project kan bekleden op maatschappelijk vlak.”

 

Startpunt voor concrete projecten

Met een andere pertinente vraag gaf Corijn de ideale voorzet voor de daaropvolgende slotdiscussie: “Gaan we verder met oefenen (het is immers zeer productief om ontwerpend onderzoek toe te laten) of confronteren we politici met hun verantwoordelijkheid en pleiten we krachtdadig voor een geïntegreerde visie?” Een vraag met een open antwoord, zo bleek. Het panel, dat integraal bestond uit de initiatiefnemers van de studie – Peter Cabus van Ruimte Vlaanderen, Benoît Périlleux van Brussel Stedelijke Ontwikkeling, Griet Celen van de Vlaamse Landmaatschappij, Serge Kempeneers van Leefmilieu Brussel, Dirk Jordaens van het Agentschap voor Natuur en Bos, Brussels Bouwmeester Kristiaan Borret en waarnemend Vlaams Bouwmeester Stefan Devoldere – benadrukte het belang van ontwerpend onderzoek en transversale reflectie. “Ontwerpend onderzoek is op zich al nuttig, en daarnaast is het nut van multidisciplinair opdrachtgeverschap toch echt wel gebleken in dit project. Hopelijk kan het een framework zijn voor concrete verwezenlijkingen die stedelijk-landschappelijke kwaliteit bevorderen en optimaliseren.”