Doorzoek volledige site
29 februari 2016 | LIZE EVENS

Panelgesprek Mijn Huis Mijn Architect: Anders denken over bouwen en renoveren

Leo Van Broeck, Peter Lacoure, Vincent Van Den Broecke en Koen Van Synghel. Illustratie | Isabelle Pateer

Het nieuwe jaarthema van Mijn Huis Mijn Architect, een initiatief van de Orde van Architecten - Vlaamse Raad, luidt Creatief met ruimte - op het ritme van het leven. We vernamen dit tijdens Batibouw, waarbij de Orde van de Architecten een persconferentie gevolgd door een debat inlaste om het thema bekend te maken. Vincent Van Den Broecke, voorzitter van de Kamer Communicatie van de Orde van Architecten, kreeg de eer om het jaarthema voor de 17de editie voor te stellen.

 

Ritme van het leven

Veel modewoorden zoals duurzaam, BEN en passief beheersen het huidige discours over architectuur. Maar tegelijk rijzen er ook meer substantiële vragen, wat met het woon-werkverkeer, als er kinderen komen, bij pensioen, het fileprobleem? Volgens Vincent Van Den Broecke is het aan de architect om de publieke opinie over wonen bij te schaven. Daarom staat het thema creatief met ruimte in de eerste plaats letterlijk voor hoe eenzelfde woning van jong koppel tot gepensioneerden functioneel kan zijn. Ten tweede roept het een financiële vraag op, die uiting krijgt in nieuwe trends als co-housing en huren. Maar wat dan met het huidige woningaanbod? Het is volgens Vincent Van Den Broecke belangrijk om met minder meer te doen. 

 

Panelgesprek

Na deze korte introductie nam Koen Van Synghel, architectuurcriticus voor de Standaard, de rol van moderator op zich. Rond zijn tafel verzamelde hij Leo Van Broeck, (BOGDAN & VAN BROECK), Peter Lacoure (directeur projecten bij sogent) enVincent Van Den Broecke, voorzitter van de Kamer Communicatie en ook zelfstandig architect-zaakvoerder bij Blanco Architecten.

 

Files oplossen

Koen Van Synghel hangt het debat op aan twee kapstokken, enerzijds hoe we willen wonen en anders moeten nadenken over bouwen. Daarnaast peilt hij naar de rol van de opdrachtgever.

Bij de eerste stelling vermeldt Koen Van Synghel al meteen een heikel thema: moet mijn huis, mijn architect niet ons huis, onze architect zijn? Leo van Broeck steekt meteen van wal: “Meer nog, het zou eigenlijk onze woning, onze architect moeten zijn. We zitten aan het einde van de mogelijkheden rond vrijstaand bouwen. Als bureau weigeren we al tien jaar resoluut alle projecten in verkavelde gebieden. We hebben het land kapot verkaveld, alles moet met de auto gebeuren. Daarom kent België ook zo’n uitgebreid fileprobleem.” Hij vergelijkt het met Londen, waar alles per metro kan gebeuren. Leo Van Broeck wil 20% van de grond teruggeven aan de natuur, zo hoopt hij stedelijke gebieden te vormen waartussen oases van groen liggen.

 

Klein stedelijk wonen

Klein stedelijk wonen is in opmars, dat merkt Peter Lacoure aan verschillende projecten. Jongeren zijn klaar om op een kleinere woonoppervlakte (100m²) met beperkte buitenruimte (40 m²) te wonen. Co-housing werkt volgens Peter Lacoure niet overal, het moet een meerwaarde kunnen bieden binnen samenwonen en stedelijk wonen. Momenteel is sogent bezig met de opstart van een groot woonproject voor 50 gezinnen. Dat werd ontworpen in samenspraak met de gezinnen en architecten. “Architecten hebben een erg belangrijke rol, ze moeten projecten uit hun comfortzone halen. Ze moeten anders denken over gebouwen, de normeringen worden steeds hoger”. Leo Van Broeck zoekt naar een hiërarchie in al die regels, ook al mag een project er volgens stedenbouw komen, hij vraagt zich af of de architect dan niet moreel verplicht is om een autogebonden project te weigeren.

 

Weg met verkavelingsdrang

Peter Lacoure roept op tot permanente vorming rond bouwkost voor ontwerpers. Een rol die hij bij de beroepsverenigingen legt. Dit omdat de kostprijs per m² steeds stijgt, woningen zijn performanter, maar tegelijk ook duurder. Vincent Van Den Broeck voegt toe dat er ook nood is aan een beter algemeen beleid. De ruimte is versnipperd, maar dat is een rechtstreeks gevolg van de versnipperde wetgeving. Leo Van Broeck ziet nog nadelen van een blijvende verkaveling: “De levenskwaliteit sijpelt weg, steeds meer moeten gezinnen de auto in om naar de supermarkt te gaan. Maar dorpen willen een dorp blijven, het wordt bottom-up tegengehouden. Projectontwikkelaars hebben al ingezien dat verkavelen minder interessant wordt, zij smeken om die gronden te mogen ruilen voor open plaatsen in een stedelijk gebied.”

 

Kwaliteit voorop

Bij wedstrijden merkt Peter Lacoure dat ontwerpers en projectontwikkelaars samen meedingen naar de overwinning. De architect wordt naar voor geschoven om het project toe te lichten, maar ziet later toch elementen, zoals publieke ruimte of duurzame materialen, geschrapt worden door de projectontwikkelaar. Zij speculeren dan weer dat ze niet gecontroleerd zullen worden. Met sogent proberen ze dit te vermijden door een zekere controle in te bouwen om de architect te beschermen. Vincent Van Den Broecke is blij dit te horen, de kwaliteit moet primeren boven de prijs.

 

Bouwmethode

Intussen is het debat vanzelf terechtgekomen bij de tweede stelling. Wat is de rol voor de opdrachtgever? Koen Van Synghel stelt zich de vraag of bouwen gesofisticeerder geworden is. Het staat vast dat de bouwkost in België 1/3e van de gemiddelde grote Europese hoofdstad is. De panelleden klinken eensgezind over het feit dat bouwen duurder is, maar wonen niet. “Om woningen te maken die voldoen aan verschillende duurzame normen en die dicht bij alle voorzieningen liggen, is het logisch dat de bouwmethode beter en dus duurder is,” stelt Leo Van Broeck. “Als architect ben je vaak overgeleverd aan de aannemer,” vindt Vincent Van Den Broecke.

 

Innovatieve lijnen

Als afsluiter peilt Koen Van Synghel nog naar de innovatieve lijnen die de architectuur te wachten staat. Leo Van Broeck stelt Smart-housing voor, woningbouw in een Ikea-tijdperk. Met containers en plug-in woningen kunnen kopers een unieke maatwoning samenstellen. Als directeur projecten stelt Peter Lacoure vast dat de markt nog steeds bouwt en verkoopt wat gekend is, het is volgens hem nodig om best cases te promoten. Zoals kenniscentra in Nederland al langer doen, maar die evolutie verloopt traag. Voor Vincent Van Den Broecke blijft de architect de centrale figuur, hij moet een voortrekkersrol op zich nemen en de markt sensibiliseren.