Doorzoek volledige site
26 september 2016 | MICHEL VAN DEN BOSCH

Verschillende betonsamenstellingen spelen hoofdrol bij restauratie Maagdentoren

Van het ooit welvarende stadje dat Zichem in de veertiende eeuw dankzij de lakenhandel was, resten vandaag slechts een paar stille getuigen. De Maagdentoren is er een van. Maar ook hij bleef niet gespaard van rampen en tegenslagen. Ouderdom, gebrekkige restauraties en verwaarlozing eisten hun tol. Toen in 2006 een deel van het intussen tot ruïne herschapen bouwwerk instortte, leek zijn lot bezegeld. Het werd gelukkig het startsein voor een complexe reddingsoperatie die bijna tien jaar zou duren. Het ontwerpteam bestaat uit architect Marc Vanderauwera (Studio Roma)  en De Smet Vermeulen architecten. Ingenieursbureau Norbert Provoost stond in voor de speciale technieken.

De lichtjes taps toelopende toren is 26 meter hoog. De diameter bedraagt onderaan net geen vijftien meter. De muur is onderaan 4,20 meter dik. Hij bestaat uit een gemetseld binnen- en buitenparement in ijzerzandsteen waartussen zich een ‘middeleeuws beton’ van gebroken steen en kalkmortel bevindt.

De muur is bezweken in een zone met vensteropeningen en ingewerkte trapkokers. Ook een aantal ribgewelven en delen van de verdiepingsvloeren hebben het begeven. Vooraleer er sprake kan zijn van restauratie of reconstructie moet worden belet dat de toren helemaal instort. De tijdelijke oplossing bestaat uit een combinatie van een metalen vakwerkstructuur en een korset van spankabels. Een monitoringsysteem houdt vervormingen en zettingen bij.

Nu kunnen de verschillende opties en de technische consequenties in detail worden onderzocht. Is wat overblijft van de toren nog te redden? Hoe kan de bres in de muur en het interieur worden heropgebouwd?

 

Consolideren en ontsluiten

De bouwheer – het Agentschap Onroerend Erfgoed van de Vlaamse Overheid – opteert om de ruïne te behouden, te consolideren en te ontsluiten. De restauratie moet verder verval vermijden en de toren inzetten als uitkijkpunt over het landschap. De erfgoedwaarden van de Maagdentoren komen op die manier volledig tot hun recht.

Integrale restauratie die een historisch beeld van de toren oproept, is echter onmogelijk omdat het basismateriaal, Diestiaanse ijzerzandsteen, onvoldoende voorradig is. Dit verplicht de ontwerpers de toestand als ruïne te aanvaarden. Anderzijds is het herstel van de achthoekige en ronde geometrie van het gebouw de meest aangewezen weg om de stabiliteit te verzekeren. Technisch wordt het weerhouden restauratieconcept als volgt vertaald: het bestaande metselwerk wordt door injectie gestabiliseerd, terwijl alle invullingen ter vervanging van de ingestorte delen in nieuwe materialen worden uitgevoerd: beton, baksteen, staal.

 

Bestaande muur

Door de degradatie van de kalkmortel in de kern van de muren (insijpeling, vorst-dooicycli,...) zijn in de loop der eeuwen steeds meer en grotere holtes ontstaan. Met speciale apparatuur, die de relatieve verschillen in elektrische weerstand tussen steen en lucht registreert, worden deze holtes in kaart gebracht. Kernboringen geven vervolgens een idee van de holtepercentages. Zij lopen plaatselijk op tot 30 à 40 %.

Proefinjecties worden uitgevoerd met drie verschillende groutsamenstellingen:

  • 1 deel gehydrateerde kalk + 1,8 delen cement CEM III 42,5 LA + 3 delen toevoegsels (puzzolaan - tras) + 1,2 deel water (W/C = 0,67)
  • 100 kg cement CEM III 42,5 + 2 kg toevoegsels (bentoniet) + 1,5 kg superplastificeerder + 67,6 liter water (W/C = 0,67)
  • grout op basis van ultrafijn cement.

Na die proefinjecties wordt beslist om de muren volledig te injecteren met ultrafijn cement. Ook de opvulling tussen de (niet ingestorte) gemetselde gewelven en de vloeren wordt met dit type grout geïnjecteerd.

De cementering van bovenvlakken van de muur wordt vernieuwd. Schuine ingeboorde ankerstaven ter hoogte van de aanzetten van de ribben verdelen de spatkrachten over de volledige omtrek van de muur.

 

Nieuwe invullingen

Een betonnen structuur van trappen, bordessen en schijfwanden neemt de constructieve functie over van het tijdelijke stutsysteem. De schijfwanden vervangen de verdwenen ribben, de bordessen worden verbonden met de ingeboorde ankerstaven. De trappen ontsluiten de toren, en vanop de bordessen krijgt de bezoeker een impressie van de historische vertrekken en hun gotische gewelven.

Te zelfder tijd refereert de trapconstructie aan de oorspronkelijke verticale circulatie: ze zit vervat in de dikte van de muur en eindigt met een metalen spiltrapje dat ingepast wordt in een bewaard gebleven torentje.

De nieuwe structuur is uitgevoerd in ter plaatse gestort beton en volgt zowel de kromming van het grondplan als het naar binnen hellend profiel van de toren.

Onderaan is een betonnen console voorzien waarop het nieuwe parement rust, uitgevoerd in een langwerpig baksteenformaat. Op oordeelkundig gekozen plaatsen zijn openingen gelaten waarlangs schaars daglicht binnenvalt. Het dakniveau wordt vervolledigd en versterkt met een betonnen plaat. Die draagt een metalen structuur met een uitkijkgalerij en een uitkragende regenkap.