Doorzoek volledige site
21 december 2016 | FILIP CANFYN

Steen&Been (Filip Canfyn): Witboek

Mag ik 2016, het jaar, dat spijtig genoeg start met de dood van grootmeester Bowie, afsluiten met hoopgevend nieuws, dat voor mij best wel als Architectura-feit van het jaar mag gecatalogeerd worden: de geboorte van het ‘Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, Samen aan de slag om Vlaanderen te transformeren – een opstap naar een volwaardig omgevingsbeleid’? Ik heb het werkstuk tussen bisque en kroketten volledig, ik herhaal, volledig gelezen en samen met mijn beste wensen voor 2017 bied ik jullie mijn enthousiast maar uiteraard ook kritisch rapport aan.

Uit huidig Witboek, met een tijdslijn tot 2050, moet in 2017, na een brede consultatie, het feitelijke Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) voortvloeien, zoals het Witboek zelf gestoeld wordt op het Groenboek BRV (4 mei 2012) en de werktekst van het Witboek BRV (9 november 2015).

Huidig Witboek kan in vier segmenten samengevat worden.

 

1.

Het Witboek bouwt verder op het Ruimtelijk Structuurplan Vlanderen (RSV) maar zoekt tevens naar een fundamentele beleidsmatige verandering.

  • RSV is een omvattend planningsdocument met gedetailleerde beleidsuitspraken over gans Vlaanderen. BRV is een set van principes voor ruimtelijke ontwikkeling en van strategische klemtonen voor lokale toepassing.
  • RSV gaat voor een top-down-planningscascade. BRV gaat voor ruimtelijke ontwikkeling door samenwerking met alle stakeholders.
  • RSV kiest voor afbakeningsprocessen. BRV kiest voor geïntegreerde gebiedsontwikkeling.
  • RSV vertrekt vanuit een hiërarchisch stedelijk groeimodel. BRV vertrekt vanuit een groeimodel voor steden én dorpskernen.
  • RSV zet in op een strikte woonprogrammatie, die een verschil maakt tussen stedelijk gebied en buitengebied. BRV zet in op een optimaal ruimtelijk rendement, inclusief het stimuleren van compact en verdicht wonen en het schrappen van een deel van het juridisch aanbod aan bouwgronden.

 

2.

De ruimtelijke staat van Vlaanderen kan met enkele cijfers en observaties kernachtig gesitueerd worden.

  • Het ruimtebeslag (= de nederzettingsruimte of de door mensen gedicteerde ruimteconsumptie voor huisvesting, werken, winkelen, transport, recreatie, gebruiksgroen, …) palmt 33% van de oppervlakte van Vlaanderen in. De gemiddelde toename van dat ruimtebeslag bedraagt momenteel 6 hectare per dag. De feitelijke verharding bezet 14% van de oppervlakte van Vlaanderen.
  • Het aandeel aan appartementen in Vlaanderen, 23%, ligt significant lager dan het gemiddelde Europese aandeel, 41%. De typologiekeuze pro open bebouwing veroorzaakt een hoger energieverbruik, in de grootte-orde van 20% meer per m² in vergelijking met gesloten bebouwing (meergezins- en rijwoningen).
  • De gemiddelde kavelgrootte daalt van 775 m² (1997) naar 518 m² (2010) maar de bevolkingsdichtheid blijft laag in verkavelingen in steden of dorpen.
  • Gemiddeld 70 tot 90 minuten worden per dag gespendeerd aan reistijd voor verplaatsingen in functie van wonen, werken en voorzieningen.

 

3.

Het Witboek formuleert in essentie vijf strategische doelstellingen.

  • Het bijkomend ruimtebeslag moet verminderen van 6 ha/dag nu over 3 ha/dag in 2025 naar 0 ha/dag in 2040 terwijl het ruimtelijk rendement van het bestaand ruimtebeslag moet verhoogd worden.
  • Collectieve vervoersknooppunten moeten versterkt worden door daarrond de dichtheid van wonen en werken te verhogen in functie van energiezuinigheid en mobiliteitsbeheersing.
  • Een palet aan leefomgevingen moet ontwikkeld worden in sterke steden en dorpen.
  • Een robuuste open ruimte moet ontwikkeld worden door de verhardingsgraad terug te dringen en door verharde open ruimte en niet-agrarisch gebruikt landbouwgebied te recupereren, dus door de vertuining en verpaarding om te keren.
  • Een netwerk aan groenblauwe aders moet ontwikkeld worden dankzij meer water en groen in de steden, dorpen en open ruimte en dankzij een verhardingsstop vanaf 2050.

 

4.

Het Witboek vertaalt de eigen strategische doelstellingen in ruimtelijke ontwikkelingsprincipes (en verder nog in operationele werven en beleidslijnen).

Er wordt volop gepleit voor (1) het stelselmatig verminderen van bijkomend ruimtebeslag, (2) het lokaliseren van nieuwe ontwikkelingen voor wonen, werken en recreëren binnen het bestaande ruimtebeslag, die een duidelijke meerwaarde voor de open ruimte genereren, (3) het voorrang geven aan het aanbod van energiezuinige bouwvormen en de beperking van vermijdbare mobiliteit, (4) het creëren van ruimte voor landbouw, bos, natuur en water in functie van voedselproductie, biodiversiteit, bodeminfiltratie en regenwaterberging, (5) het samenhangend, evenwichtig aanbieden van voorzieningen (zorg, onderwijs, sport, recreatie, winkels) in steden en dorpen, (6) het programmeren van woningen en werkplekken in congruentie met het programmeren van voorzieningen, (7) het scheppen van de juiste ontwikkelingsmogelijkheden voor economie, logistiek en economie, …

 

Als eerste conclusie kan vastgesteld worden dat het Witboek ontegensprekelijk geschreven is vanuit een (open) ruimte-insteek, vanuit een perspectief pro behoud en restauratie van (open) ruimte. Hoe invullen is niet het canvas, wel hoe afblijven en loslaten. Deze aperte attitude ten voordele van ruimte (en dus minder ten voordele van ordening) verwordt vaak, wellicht om tactische redenen en als resultaat van protectionistische lobbying, tot een nogal enge landbouwfocus en soms, wellicht vanuit een evenwichtsdrang, tot geruststellende accenten richting economie, logistiek en energie. In elk gval moet die aperte attitude ten voordele van ruimte, hoe makkelijk die ook van vrijblijvendheid en window dressing kan beschuldigd worden (en dat is een erfenis van de RSV-illusie), als hoopgevend want revolutionair op zich betiteld worden. Het Witboek profileert zich als ambitieus tout court en dat relativeert de vele herhalingen in dit document: de strategische doelstellingen, de ruimtelijke principes, de operationele werven en beleidslijnen klinken allemaal een beetje eender maar misschien ligt de kracht van het Witboek wel in die repetitie, die geen twijfel laat bestaan. En verstandige zaken kunnen soms niet genoeg herhaald worden.

Als tweede conclusie moet opgemerkt worden dat de framing van de media-aandacht de essentie van het Witboek (voorlopig) niet onderuithaalt en niet leidt tot een verbale opstand van vermeende benadeelden. De alom verspreide term ‘betonstop’ staat bijvoorbeeld niet in het Witboek, het gaat over veel meer dan over wonen en de al dan niet toekomst van verkavelingen, de focus op die zeshectaren-boodschap overaccentueert een toch zéér beperkt facet van het holistischer Witboek maar deze reducties vatten wel op hun manier correct de ziel van het Witboek. Mag hierin al een eerste verdienstelijk resultaat van het soms wel eens drammerig genoemd voorbereidend werk van de nieuwe Vlaamse Bouwmeester gezien worden?

Als derde en finale conclusie moet gesteld worden dat het Witboek een aantal sterke zinsneden bevat, die een forse koerswijziging, dus een krachtige start van een relevante ruimtelijke ordening, aankondigen. Aankondigen, méér niet, maar toch aankondigen. Alleszins vier sterke zinsneden kunnen geselecteerd worden.

“Het ruimtelijk beleid zet in op een samenhangende en evenwichtige ontwikkeling van woongelegenheden, werkplekken en voorzieningen door ze zoveel mogelijk te koppelen aan collectieve vervoersstromen, fietsinfrastructuur en bestaande concentraties van voorzieningen.”

“De knooppuntwaarde en het voorzieningenniveau van een kern bepalen de ontwikkelingsmogelijkheden van die kern, zoals de uitbreidingsmogelijkheden, de streefwaarden van ruimtelijk rendement, het type en de mix van activiteiten (wonen, werken, voorzieningen). Plaatsen met hoge knooppuntwaarden vangen zoveel mogelijk de ruimtevragen als gevolg van de demografische groei op.”

“De knooppuntwaarde bepaalt binnen welke afstand tot het knooppunt ontwikkelingen mogelijk zijn. Bij een lage knooppuntwaarde zijn ontwikkelingen slechts binnen een beperktere afstand van het knooppunt mogelijk.”

“Het voorzieningenniveau bepaalt de ontwikkelingsmogelijkheden van de plek.”

Die laatste zin is zelfs historisch voor een overheidsdocument rond ruimtelijke ordening. Die zin draait de old school-logica om: tot vandaag wordt een plek domweg ontwikkeld en moeten de voorzieningen maar volgen. Nochtans werkt die logica nièt: voorzieningen komen niet of verdwijnen snel, zoals vele verkavelingen al dertig jaar dagelijks aantonen. Vanaf nu voorrang geven aan plekken, waar de reeds aanwezige voorzieningen alleen maar levensvatbaarder kunnen worden, kan het ultieme bewijs worden van de langverwachte stijlbreuk dankzij het Witboek.