Doorzoek volledige site
09 februari 2017 | FILIP CANFYN

Steen&Been (Filip Canfyn): Hommage aan Shchukin

Onlangs nog eens naar Fondation Louis Vuitton middenin Bois de Boulogne in Parijs getrokken, waar de onnavolgbare Shchukin-collectie wordt getoond. Die ene keer dat deze schat aan topschilderijen Rusland verlaat wilden mijn geliefde en ik niet missen. En terecht.

De eerste minuten werden nochtans niet prettig. Daniel Buren mocht de gigantische glazen schelpen van Gehry ridiculiseren met een zogenaamde installatie: hij kleefde kleurfilm in een dambordpatroon, dat het sculpturale dak oneerbiedig clownesk maakt. Met alle respect voor Buren maar hiervan moet hij altijd afblijven.

Nog ambetanter werd het toen we merkten dat de Fondation definitief een Plopsaland wordt voor bovenmodale babyboomers. Gemiddelde leeftijd tegen de zeventig én massaal, dus allemaal in de rij voor de ingang, voor élke zaal, voor restaurant ‘Le Frank’ en zelfs voor de shop. Daarom wordt de expo nog twee maanden verlengd en van 7 uur ’s morgens tot 10 uur ’s avonds opengesteld. Rollators rule the world!

Ernstig nu. De Shchukin-collectie is inderdaad weergaloos maar vertelt eveneens een meer dan boeiend verhaal.

Sergei Ivanovich Shchukin (1854, Moskou – 1936, Parijs) heeft een vader, die dankzij verstandshuwelijken en businesswinsten een vermogende dynastie sticht. Sergei geniet een gedegen opleiding in Duitsland en Frankrijk en volgt papa Ivan op in 1890.

In 1884 huwt hij met Lydia Grigorieva Koreneva, naar verluidt één der mooiste vrouwen van Moskou en alleszins een goede partij, als dochter van een mijnbaron. Ze krijgen vier kinderen, drie jongens en een meisje. Bij de geboorte van de eerste zoon, Ivan, schenkt opa, ook Ivan, aan Sergei een paleis, dat hij kocht van prinses Trubetzkoy en dat vlakbij het Kremlin ligt.

Sergei heeft aan het einde van de negentiende eeuw zijn zaakjes goed voor mekaar en wil zijn welstand en status nog meer glans geven door kunstverzamelaar te worden. Hij heeft van zijn vader niet alleen een fortuin maar ook een voorliefde voor de Franse cultuur geërfd en trekt regelmatig naar Parijs, waar hij zijn goede neus en smaak laat verleiden door iconische kunsthandelaars zoals Paul Durand-Ruel of door jonge dan wel bijna gevestigde artiesten. Zijn eerste aankoop, in 1897, is een Pissarro. Tien jaar later hangt zijn paleis vol met 13 Monets, 8 Cézannes, 16 Gauguins, 4 Van Goghs, 5 Degas, 16 Derains, 7 douannier Henri Rousseaus, … Shchukin is nu een echte seigneur in de kunstwereld. Het beste maar ook het slechtste moet evenwel nog komen.

In 1905 verdwijnt zijn jongste zoon op een novembernacht en de 17-jarige wordt pas in maart uit de Moskova-rivier geschept. In 1907 overlijdt zijn vrouw aan kanker. In 1910 schiet zijn tweede zoon zichzelf dood, dag op dag drie jaar na moeders afscheid.

Shchukin pareert de familiale slagen (hij hertrouwt in 1914 en krijgt nog een dochter) en stort zich vanaf nu op het werk van Matisse en Picasso. Bij zijn eerste bezoek aan het atelier van Matisse, in 1906, wil hij wel een stilleven kopen maar hij twijfelt. Hij vraagt om de tekening op proef te mogen hangen in zijn paleis. Later zal hij nog 37 doeken kopen bij Henri. Pablo wordt de tweede oogappel: 14 schilderijen uit zijn blauwe periode en 36 stuks uit zijn kubistische dagen verhuizen naar Moskou.

Kortom, Shchukin bezit tegen pakweg 1915 de meest indrukwekkende kunstverzameling van rond de eeuwwisseling. Tot het noodlot nog keiharder toeslaat. Volgens hem toch. Na de Russische oktoberrevolutie in 1917, dus krék 100 jaar geleden, nationaliseert Lenin de bezittingen en dus ook de collectie van Shchukin. Die trekt samen met zijn resterende zoon naar Duitsland in augustus 1918 en belandt wat later in Parijs, waar hij blijft tot aan zijn dood in 1936. Hij houdt zich na de confiscatie nagenoeg niet meer bezig met kunst.

De Shchukin-collectie wordt na de Tweede Wereldoorlog door de Russen verdeeld over het Poesjkin-museum in Moskou en het Hermitage-museum in Sint-Petersburg. De nationalisatie heeft er eigenlijk en gelukkig voor gezorgd dat de sublieme verzameling niet ellendig verspreid werd over schattenjagers op de ganse aardbol.

Deze beschermheer van topkunstenaars kent trouwens ook een Belgisch kantje.

Anna Boch, telg van keramiekimperium Villeroy&Boch, schildert en wordt de enige vrouw bij ‘Les XX’, het fantastische maar losvaste artistieke collectief rond James Ensor, Félicien Rops, Henry Van de Velde, …, dat twee eeuwwisselingen geleden jaarlijks in Brussel een expositie houdt, waarop ook buitenlandse gelijkgezinden hun kunsten tonen. Monet, Cézanne, Gauguin en Van Gogh bijvoorbeeld. Inderdaad, de Shchukin-favorieten. In 1890 wordt op zo’n tentoonstelling het enige werk, dat Van Gogh-in-leven verkoopt, aangeschaft door die Anna Boch: ‘La vigne rouge’. Voor 400 Franse francs. Bijna twintig jaar verkoopt ze het doek door. Voor 10.000 Franse francs. Aan een zekere Sergei Shchukin.

Die Shchukin-collectie in Parijs is mijn lang leven. Zo word ik ook een ambetante senior. Dankzij schitterende schilderijen, verrassende verhalen en vier ogen, die op dit alles een kijk krijgen. Twee ogen van mezelf en twee ogen van mijn geliefde. Die dan glundert en prevelt: “Dat ik dit een keer màg beleven, ook.”