Doorzoek volledige site
03 maart 2017

Is het tijdperk ‘huisje, tuintje, boompje’ stilaan voorbij?

Illustratie | Orde van Architecten
Illustratie | Orde van Architecten

‘Creatief met ruimte – Inbreiding/Uitbreiding’, zo heet het thema van het openhuizenweekend Mijn Huis Mijn Architect dat dit jaar plaatsvindt op 23 en 24 september. Op Batibouw organiseerde de Orde van Architecten een panelgesprek waar vier experten dieper ingingen op het thema. Hoe denken zij over kernverdichting en inbreiding, en hoe moeten we hiermee omgaan?

Het panel bestond uit Edward Sorgeloose (Edward Sorgeloose Architecture en voorzitter van de Beroepsvereniging voor Architecten), Koen Baeyens (Graux & Baeyens architecten), An Rekkers (directeur Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning) en Carl Dejonghe (raadgever ruimtelijke planning & stadsontwikkeling stad Gent). Het gesprek werd ingeleid door Carine Cappelle, architect en mandataris bij de Orde van Architecten - Vlaamse Raad. Koen Van Synghel, architect en architectuurcriticus voor onder meer de Standaard en de VRT, trad op als moderator.

 

Koen Van Synghel: 20 jaar geleden ontvingen we de eerste signalen dat we anders moeten omgaan met de ruimte in Vlaanderen. Nu is er het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Verdichten, inbreiden: hoe pakken we dit praktisch aan?

Carl Dejonghe: In Gent zijn we al langer vertrouwd met het fenomeen inbreiding. We denken heel planmatig na over stadsontwikkeling. Bij inbreiding kijken we in de eerste plaats naar te saneren industriële terreinen. Via creatieve en interessante invullingen willen we daar komen tot gezonde, evenwichtige mixen van functies die passen binnen het stedelijk weefsel. Het is de bedoeling dat we een uniforme groei krijgen en dat we ook zorgen dat de mensen in de omgeving mee blijven in het verhaal. Het stadscentrum telt een groot aantal 19de-eeuwse panden en we hebben heel dense stadswijken met nauwelijks zuurstof. Naast verdichten moeten we dus ook verluchten, door te ontpitten (het vrijmaken van binnenruimten tussen gebouwen om daar publieke open ruimte van het maken) en verhardingen in het kerngebied weg gaan halen.

 

Koen Van Synghel: Koen, hoe gaan jullie om met deze problematiek? Want het zijn jullie die het met architectuur zullen moeten oplossen.

Koen Baeyens: We stellen vast dat de bouwpercelen waar opdrachtgevers mee naar hun architect stappen, steeds vaker percelen zijn die al langere tijd leeg stonden, restpercelen die door hun afwijkende vorm of uitdagende oriëntatie nooit eerder als geschikte bouwgrond werden aanzien. Door de uitgesproken oplossingen die we aanreiken, zijn bouwheren al vaker gemotiveerd om zich toch te wagen aan dit soort uitdagende percelen. En dat maakt het zo boeiend: het zijn percelen en projecten die ons dwingen heel creatief te werken te gaan. Ze doen ons hard nadenken over het wonen in de stad: naar lichten en zichten toe, het creëren van ruimte, de relatie met de straat.

Edward Sorgeloose: De vraag van kleinere gemeentes blijft om projecten te realiseren in uitbreidingsgebied. Als bureau vermijden we om dit te doen volgens het huidige, typische verkavelingsmodel: de klassieke straat met om de zoveel meter een vrijstaand huis met rondom de tuin. We denken eerder aan wat genereuzere pleinvormen met daarrond aantal compacte woonentiteiten in diverse typologieën, met een mix van ééngezinswoningen en appartementen, omringd door groen. Het realiseren van compacte woonprojecten in uitbreidingsgebied vindt in kleine gemeenten moeilijker zijn weg. Vaak is daar nog de, onterechte, angst voor verstedelijking. Nochtans kan je dit soort woonprojecten perfect realiseren zonder het effect van verstedelijking.

 

Koen Van Synghel: De Vlaming is bang van verstedelijking, bang dat we met zijn allen in die urban sprawl gaan terechtkomen, bang voor die fameuze ‘betonstop’. Welke obstakels moeten we wegnemen om twijfels weg te nemen?

Carl Dejonghe: Het kluwen van bouwkundige voorschriften die elk menselijk project onmogelijk maken – ongetwijfeld één van de grote frustraties bij architecten. De rigiditeit van het bestaande planningskader; het bijzonder plan van aanleg, de gemeentelijke uitvoeringsplannen.

Edward Sorgeloose: Bekend probleem in Antwerpen is de te strikte toepassing van de harmonieregel (deze stelt heel duidelijk dat nieuwbouw in de binnenstad in harmonie moet zijn met de bestaande omliggende bebouwing). Ook bouwen in de hoogte wordt vaak als heel exotisch beschouwd, zelfs al is het op die plek de meest logische keuze. Buiten de stad blijft het ons verrassen dat lokale besturen blijven vasthouden aan de stedenbouwkundige voorschriften zoals die destijds door landmeters werden opgemaakt. Eigenlijk hadden deze voorschriften al lang in de prullenmand moeten belanden.

An Rekkers: Ondertussen zijn er al een aantal gemeentes die werken met kwaliteitskamers (adviescommissie voor ruimtelijke projecten) of zich laten bijstaan door externe deskundigen. Naar de grotere bouwprojecten toe is het belangrijk om eerst goed na te gaan wat er leeft in de buurt, wat de verwachtingen en verzuchtingen zijn, vooraleer er plannen worden uitgetekend. Als buurtbewoners van bij de prille start van een project worden betrokken bij de ontwikkelingen, is er veel meer bespreekbaar en mogelijk. Dan kunnen we ook nadenken over hoe we ruimte kunnen gaan delen: gemeenschappelijke wasplaatsen, (fietsen)bergingen, carports, zelfs keukens, zorgen niet alleen voor minder ruimtebeslag, ook vanuit sociaal oogpunt creëer je een win-winsituatie.

 

Koen Van Synghel: De technische eisen worden groter wat betreft isolatie, veiligheid, toegankelijkheid. Bouwen wordt complexer. Hoe kunnen we bouwen en verbouwen betaalbaar blijven houden?

Carl Dejonghe: In Gent streven we naar 20% sociale woningen en 20% bescheiden woningen, dat laatste cijfer willen we zelfs optrekken tot 40%. Gezien het verwerven van een eigen woning steeds moeilijker wordt, zetten we meer in op de huurmarkt dan de koopmarkt. Daarnaast willen we ook meer stedelijke woonvormen gaan creëren zoals modulaire containerwoningen.

Edward Sorgeloose: Sinds vorig jaar voert ons bureau onderzoek naar alternatieve bouwmethoden zoals prefab houtbouw die vanaf atelier gemaakt kan worden en die toelaat om de bouwtermijn drastisch te verkorten, wat bouwen goedkoper maakt. Houtbouw scoort ook beter op vlak van energieprestaties. We geloven rotsvast dat versnelde bouwmethodieken niet alleen hun ingang zullen vinden in de woningbouw, maar ook in de kantoorbouw en andere bouwprojecten. Technieken en technologieën evolueren snel, ook artificiële intelligentie zal binnen het woongebeuren steeds meer zijn plaats opeisen.

An Rekkers: Om vandaag in de koopmarkt te stappen heb je een veel groter budget nodig, de huurmarkt zal bijgevolg aan belang gaan inwinnen. De overheid doet er dus beter aan om de huurmarkt meer te gaan faciliteren. Naast een sociale huurmarkt hebben we nood aan beheersorganisaties die kwalitatieve huurwoningen aanbieden. In het buitenland bestaan er reeds tal van goede voorbeelden. Zo heeft Zwitserland een systeem van wooncoöperaties waarbij de privé-oprichters tevens aandeelhouder zijn. De Zwitserse overheid zorgt veelal mee voor de financiering. De coöperatie bouwt zelf de woningen en verhuurt ze vervolgens aan zijn leden. Omdat de coöperatie zelf eigenaar is, kan ze de huurprijs drukken en een betaalbaar, kwalitatief hoogstaand woonaanbod creëren.

Lees hier het volledige verslag.