Doorzoek volledige site
29 maart 2017 | FILIP CANFYN

Steen & Been: (Filip Canfyn): (Ali)bi voor (kapi)taal

Illustratie | Pixabay
Illustratie | Elke Wetzig (Elya)

Huiscolumnist Filip Canfyn herlas onlangs Ganz Unten’ alias ‘Ik (Ali) van Günter Walraff. Dat deed hem in zijn pen kruipen. "Ja, ik weet het, ik schrijf wel eens meer over deze sociale dumping. Ik zie het ook elke dag gebeuren en als je dan een boek leest van zò lang geleden, dat met andere woorden maar met dezelfde walging beschrijft hoe economische krachten hun vunzig voordeel doen met mensen, die kost wat kost vechten voor het overleven van zichzelf en hun naasten, dan moet het er bij mij nóg eens uit."

Mag ik mijn column aanvatten met een lijvig citaat uit een intrigerend boek?

 

"Op het prikbord een mededeling: ‘Deze firma meldt haar werknemers aan volgens de voorschriften!’ Niemand vraagt mij echter naar mijn werkvergunning. Zelfs mijn naam hoef ik niet te noemen.

Onderweg in de auto krijgt onze ploeg informatie over ons uurloon en de arbeidsvoorwaarden. De aannemer wil dat we tien uur werken. Voor negentig euro per dag.

Onze ploeg wordt overgedragen aan aannemer X, één van de grootste bouwbedrijven, naar ik later hoor. Ook de dagen daarna krijgen we aanwijzingen uitsluitend van de aannemer en het gereedschap wordt eveneens door hem ter beschikking gesteld. Mijn firma levert immers arbeiders ‘sec’, bezit nauwelijks eigen gereedschap en ook geen eigen werven.

Geen van ons heeft zijn papieren moeten afgeven, we werken zonder uitzondering ‘zwart’. Ik vraag aan een collega wat er gebeurt bij een ongeluk. Hij antwoordt: “Dan doen ze alsof je pas hier werkt. Dan word je gewoon met terugwerkende kracht ingeschreven.”

Op vrijdag moeten we na afloop meestal twee uren wachten op ons loon. Die uren worden natuurlijk niet betaald. Wanneer ze ons betalen moeten we een kwitantie tekenen maar we krijgen geen afrekening. Zelfs de briefjes, waarop de aanemer onze uren noteert, worden na de betaling weer afgenomen.

Onderaannemers werken met schijn-arbeidsovereenkomsten. Ze verrekenen officieel bijvoorbeeld veertig vierkante meter beton maar ontvangen geld voor veertig uur werk. Ze werken vaak met tabellen, waarmee ze werkuren omzetten in vierkante of kubieke meters.

Op een dag slepen we bij temperaturen rond de dertig graden platen naar boven, tot op de zesde  verdieping. Wij zijn goedkoper dan de bouwkraan, die naar een andere werf kan worden weggevoerd.

Wie beweert dat hier zwart gewerkt wordt kan een proces aan zijn broek krijgen wegens laster. Ze zeggen dan dat je te laat je papieren hebt ingeleverd, dat ze je daarom niet hebben kunnen inschrijven, dat je jezelf strafbaar gemaakt hebt."

 

Iedereen met ogen in zijn kop weet waarover dit citaat gaat. Ja, toch?

Deze zinnen zijn echter meer dan dertig jaar oud. Ik heb alleen de Duitse mark in euro moeten veranderen maar de rest van de tekst heb ik niet aangeraakt. Het citaat komt uit ‘Ganz Unten’ alias ‘Ik (Ali)’ van Günter Wallraff. In 1985 schreef deze Duitse held van de participerende journalistiek over de vernedering en uitbuiting, die hij ervoer toen hij zelf maandenlang als vermeende Turk een job zocht en werkte in onder meer de bouw. Toen een Turk, vandaag een Bulgaar, een Roemeen of eender welke andere brave borst, die op onze werven een flinterdunne boterham probeert te verdienen. Ja, ik weet het, ik schrijf wel eens meer over deze sociale dumping. Ik zie het ook elke dag gebeuren en als je dan een boek leest van zò lang geleden, dat met andere woorden maar met dezelfde walging beschrijft hoe economische krachten hun vunzig voordeel doen met mensen, die kost wat kost vechten voor het overleven van zichzelf en hun naasten, dan moet het er bij mij nóg eens uit.

En het is nog niet gedaan. Tijdens het schrijven van deze column hoor ik op de radio, in het vitale ‘Nieuwe feiten’ van Lieven Vandenhaute, halvelings over de Molière-regel in Frankrijk. Zo zou afgedwongen worden dat alleen Frans gesproken wordt op Franse werven. Dit verplicht taalgebruik zou de ’vreemde’ arbeiders van de werven moeten bannen. Ik geloof mijn oren niet. Wat? Alsof die niet-Molière-mensen het probleem zouden zijn. Alsof men niet weet dat er op een werf vooral één andere taal gesproken wordt: de taal van het kapitaal.