Doorzoek volledige site
03 mei 2017 | FILIP CANFYN

Opinie Filip Canfyn: Drie paasbrieven met ruimtelijke gevolgen (deel 1)

Einde maart verschijnen drie belangrijke documenten ten tonele op kousenvoeten: de demografische vooruitzichten van het Federaal Planbureau, de plannen rond slim wonen en leven van de Vlaamse Regering en het meerjarenprogramma van de Vlaams Bouwmeester. Reden genoeg voor Filip Canfyn om ze kritisch door te lichten. 

Einde maart, net voor het paasreces, worden drie belangrijke documenten op de wereld losgelaten en dit op kousenvoeten, dus zonder veel media-aandacht. Die windstilte is vreemd want het lijkt er zo op dat de de nota’s niet op de agenda willen komen of dat de goegemeente er niet wakker van wil liggen. Die windstilte is tevens onterecht want elke tekst mag bekeken worden als een thermometer, een dieselmotor of een deeltjesversneller voor ons ruimtelijk gedrag, voor onze omgang met stad, dorp en open ruimte, voor ons patroon van wonen en leven. Of moet Vlaanderen zich daar opeens geen zorgen meer over maken?

Redenen genoeg dus om de drie paasbrieven boven de radar te duwen en kritisch door te lichten: achtereenvolgens de demografische vooruitzichten van het Federaal Planbureau, de plannen rond slim wonen en leven van de Vlaamse Regering en het meerjarenprogramma van de Vlaams Bouwmeester. Drie betekenisvolle maar daarom niet altijd inhoudelijk relevante paasbrieven.

 

DEMOGRAFISCHE VOORUITZICHTEN 2016-2060

Federaal Planbureau, maart 2017

Waar Vlaanderen de laatste kwarteeuw een jaarlijkse bevolkingsgroei kent van gemiddeld 0,5% krimpt deze stijging naar 0,4% tot 2040 en zelfs naar 0,2% tussen 2040 en 2060. Toch komen er nog bijna 15% bewoners bij tussen vandaag en 2060. Grootstad Brussel noteert nagenoeg altijd dubbele stijgingspercentages in vergelijking met Vlaanderen en kijkt in 2060 dan ook aan tegen 28% meer Brusselaars. Wat wel gelijkloopt in beide regio’s is het rond 2040 volledig uitdoven van het nu toch wel lang aanslepend babyboomeffect.

De evolutie van het aantal huishoudens loopt opnieuw niet gelijk. De procentuele aangroei van de huishoudens bedraagt in Vlaanderen ongeveer anderhalf keer de procentuele aangroei van de bevolking. Er komen op die manier ruim 20% huishoudens bij tussen 2016 en 2060, huishoudens, die allemaal ergens moeten wonen. In Brussel wordt een omgekeerd fenomeen vastgesteld. Daar stijgt het aantal huishoudens relatief een kwart minder dan het aantal bewoners. Daarom komen er ook maar 20% Brusselse huishoudens bij tot 2060 ondanks 28% meer bewoners.  De gevolgen blijven alvast voor beide regio’s gelijk: een stijging van de woningvraag met 20%!

De vaak aangehaalde hypothese van de overal dalende gezinsgrootte moet dus herzien worden. Vlaanderen bevestigt nog wel met volgende gemiddelde gezinsgroottes, gemeten en voorspeld: 2,56 in 1991, 2,33 in 2016, 2,22 in 2040 en 2,20 in 2060. De gezinsgrootte blijft inderdaad dalen maar vanaf het babyboomkeerpunt wordt die daling eerder subtiel. Brussel daarentegen gaat de andere richting uit met respectievelijk volgende gemiddelden: 1,98, 2,15, 2,24 en 2,28. De gezinsgrootte stijgt reeds 25 jaar, overstijgt die van Vlaanderen vanaf scharnierjaar 2040 en blijft daarna lichtjes doorstijgen.

Het Planbureau geeft een verklaring voor deze fundamenteel verschillende demografische evolutie in grootstad Brussel en suburbaan Vlaanderen: Brussel concentreert een jongere en multiculturele populatie, die de gezinsgrootte omhoogduwt, en Vlaanderen draagt de gevolgen van een toenemende vergrijzing. Het is daarom nuttig naar de samenstelling van die huishoudens te kijken.

In de periode 1991-2060 stijgt in Vlaanderen het aandeel eenpersoonshuishoudens (1P) van 25% naar 40%, het aantal koppels met kind(eren) (K+) maakt de omgekeerde beweging, van 40% naar 23%, en het aandeel eenouderhuishoudens (1O) stijgt lichtjes, van bijna 7% naar bijna 9%. Ook hier wordt elke curve afgevlakt vanaf 2040.

In dezelfde periode daalt in Brussel het aandeel 1P van 51% naar 43% maar stijgen zowel het aandeel K+ van 21% naar 27% als het aandeel 1O van 9% naar bijna 13%.

De grootstad telt vandaag inderdaad veel meer huishoudens met slechts één volwassene (1P of 1O) maar dit aandeel kent een lichte daling (van 60% naar 56%) in tegenstelling tot de consistente stijging in Vlaanderen (van 32% naar 49%!). Terzelfdertijd wint het aandeel huishoudens met kinderen (K+ of 1O) wel duidelijk aan belang in Brussel (van 30% naar 40%) in tegenstelling tot de consistente daling in Vlaanderen (van 47% naar 32%!).

Dat de diverse grootstad alleen wanhopige singles zou aantrekken, zoals stedelijke pessimisten beweren, wordt door het Planbureau impliciet tegengesproken: de jongere bevolking vormt gezinnen en voedt kinderen op in grotere huishoudens.

Dat Vlaanderen haar eigen centrumsteden moet bevoorraden met exclusief, trendy, jong en ‘urban’ microwonen, zoals de vastgoedsector laat uitschijnen, wordt eveneens door het Planbureau impliciet tegengesproken. De Vlaamse singles worden vooral pluszevenenzestigers, de vertegenwoordigers van de vergrijzing, die veel langer leven en veel vaker scheiden: zij hebben niet alleen een aangroeiende aangepaste woonbehoefte maar binnenkort een exponentieel zorgprobleem. Dat zorgprobleem zal suburbaan en weinig divers Vlaanderen moeilijk kunnen oplossen wegens haar eigen morfologie, wegens haar uitgespreid nederzettingspatroon met een uitgebreide mobiliteitsbehoefte …

Demografie en ruimtelijk gedrag verhouden zich als treinen aan een overweg: de ene kan de andere verbergen en dat wordt gevaarlijk als niet opgelet wordt. Of als Vlaanderen zijn lessen niet trekt. Of als Vlaanderen vooral bezig is met Brussel de les te spellen. Of als Vlaanderen schrikt blijft hebben van de stad.