Doorzoek volledige site
03 mei 2017 | FILIP CANFYN

Opinie Filip Canfyn: Drie paasbrieven met ruimtelijke gevolgen (deel 2)

Einde maart verschijnen drie belangrijke documenten ten tonele op kousenvoeten: de demografische vooruitzichten van het Federaal Planbureau, de plannen rond slim wonen en leven van de Vlaamse Regering en het meerjarenprogramma van de Vlaams Bouwmeester. Reden genoeg voor Filip Canfyn om ze kritisch door te lichten. 

STARTNOTA ‘SLIM WONEN EN LEVEN’

Vlaamse Regering, 31 maart 2017

Ja, er bestaan optimistische ruimtelijke verwachtingen dankzij de recente betonstopdoctrine, die weliswaar véél te laat in het beleid geïntroduceerd en véél te ver in de tijd geprojecteerd werd, maar binnen deze positieve context is de door de Vlaamse Regering goedgekeurde startnota ‘Slim Wonen en leven’ een waar non-event, om niet te zeggen een zware desillusie. De hoop op een keerpunt moet met zo’n inhoudelijke nulliteit een ferme stap achteruit zetten.

Toegegeven, de startnota loopt over van de goede bedoelingen. Daar kan men alleen maar voor zijn, als men tenminste weet wie daar écht iets gaat voor doen.

Neem nu het toekomstbeeld, dat als vertrekpunt gehanteerd wordt: de duurzame buurt met voor iedereen een duurzame woning en omgeving, een slimme locatie, een aanbod op maat van de woonbehoefte en duurzame woonwensen. Iemand tegen? Tuurlijk niet. Dan volgen de boude vaststelling dat vooral oudere huurwoningen ondermaats en het koene antwoord dat renovaties van huizen en buurten noodzakelijk zijn. Probleem gekend? Ja. Oplossing bedacht? Niet echt want de vastgoed- en eigendomsrealiteit gedragen zich veel minder duurzaam dan verhoopt. Op hetzelfde elan wordt toch verder gegaan: verhoging van het ruimtelijk rendement, anticipatie op de aangroei van het aantal huishoudens, omkering van het suburbane woonideaal, noem maar op. Probleem gekend? Ja. Oplossing bedacht? Opnieuw niet echt. Zeker als nog eens expliciet te lezen staat op de laatste bladzijde dat de startnota “geen enkel financieel of budgettair engagement” inhoudt. Welk engagement eigenlijk wél?

Het vigerende denkmodel komt ondertussen bekend voor, het denkmodel voor ernstige, fundamentele en complexe problemen. Eerst wordt het probleem ontkend, dan schoorvoetend benoemd, vervolgens zalvend onderkend en tenslotte welwillend verwerkt in een oplossingsverhaal . Een verhaal, ja. Dat verhaal kan kant noch wal raken maar zelfs de critici, die ooit het probleem stelden of het gebrek aan een oplossing laakten, durven na al die tijd het verhaal zelf niet meer in vraag stellen uit vrees dat zo elke oplossing onmogelijk gemaakt wordt. Zodra dit stadium van oplossingsverhaal bereikt wordt nemen de beheerders, de technici, het over van de bestuurders, de politici. Het verhaal wordt dan het slachtoffer van deskundigitis: nu moeten vooral reflectie- en financieringsmallen op punt gezet worden, het proces vanuit het oplossingsverhaal wordt een doel op zich en zowel de oplossing als het probleem worden vergeten.

Voorbeeld? De Oosterweelverbinding. Om evidente redenen.

Nog een voorbeeld? Energie-efficiëntie. Soms lijkt het finale feitelijke energieverbruik van een nieuwbouw ondergeschikt aan de goede werking van EPB-fiches en duurzaamheidsmeters. Toch is een te matigen verbruik het ware probleem en wordt een oplossingsverhaal vanuit energiebesparende maatregelen geformuleerd. De eventuele oplossing wordt echter een excuus voor alweer meer technologie, software en bij voorkeur apps. De innovatiegraad wordt het criterium, niet het boerenverstand, dat een eenvoudig antwoord wil op een reëel vraagstuk.

Nog een voorbeeld?  De startnota ‘Slimmer Wonen en Leven’ dus. De verantwoordelijke uitgever of auteur mag zich transitiemanager noemen en heeft met zijn meer druk- dan denkwerk alvast zijn jobzekerheid voor jaren gegarandeerd. Hij mag dus tevreden zijn, net als de Vlaamse Regering, die denkt goed bezig te zijn. Er is blijkbaar nog veel tijd. En ruimte.