Doorzoek volledige site
28 juni 2017 | JEROEN SCHREURS

“Theoretisch label volstaat niet meer voor een voldoende zuinig gebouw”

Bart Martens van Efika Illustratie | Efika

De Europese Commissie wil energie-efficiëntie hoger op de klimaatagenda. Tegen 2030 zullen we minstens 30% energie moeten besparen. Bij Leuven 2030 werken ze in verschillende werven aan deze gigantische uitdaging. Als expert in verschillende trajecten rond tertiaire gebouwen, werkt Efika daar met de andere partners aan de centrale vraag: hoe maken we ons zakelijk patrimonium zuiniger? Dat vertelt Bart Martens van Efika

Zuinig is meer dan het energieverbruik van het gebouw alleen. Zuinig zijn begint bij een goede ligging en efficiënt oppervlaktegebruik. Door een slechte ligging kan de CO2-uitstoot van extra woon-werkverkeer de besparing van een passiefkantoor bijvoorbeeld ruimschoots teniet doen.

Ook de maximale integratie van hernieuwbare energieproductie is een must, maar we moeten dit los zien van de lokale energiebehoefte. Wegens gebrek aan incentive, zet overproductie nu vaak aan tot overconsumptie. Goed nieuws dat de (onderlinge) verkoop van productieoverschotten interessanter zal worden.

Zuinig zijn betekent wat ons betreft in een goedgelegen, optimaal gebruikt gebouw het comfort en de noodzakelijke functies garanderen met zo weinig mogelijk (hernieuwbaar) energiegebruik. En dat blijkt ook in moderne gebouwen moeilijker dan gedacht.

 

Complexer is niet altijd beter

De overheid zet momenteel voornamelijk in op een theoretische berekening voor het energiezuinig ontwerp van gebouwen, in de veronderstelling dat gebouwen met een laag E-peil ook effectief minder energie zullen gebruiken.

Dat blijkt in realiteit vaak niet het geval. Geconcipieerd om zuinig te zijn, blijken ze in de praktijk niet altijd makkelijk te besturen. Technieken in gebouwen worden dan ook almaar complexer. Los van het hoger verbruik, resulteert dit niet zelden ook in comfortproblemen zoals oververhitting en koude tocht. De opstartfase (commissioning) zou dan ook meer aandacht moeten krijgen.

Ook oudere gebouwen verspillen. Het merendeel van de gebouwen in 2050 is nu al gebouwd. Met onze lage renovatiegraad blijft, in afwachting van een grondige renovatie of afbraak, veel energiebesparingspotentieel nog jaren onbenut. Toch kan er al veel gebeuren.

Stap één is de actuele technieken zo efficiënt mogelijk gebruiken. Voor grote tertiaire gebouwen is de optimalisatie van regelingen snel rendabel. Voor kleine gebouwen is dit omwille van de lagere energiekost financieel moeilijker haalbaar. Dankzij een project van de provincie Vlaams-Brabant, werkt Efika momenteel samen met CORE, EnergieID, Proximus, Leuven 2030 en Unizo een betaalbare maar kwalitatieve monitoringoplossing uit voor kleine handelszaken in Leuven.

Daarenboven moeten we elke vervangingsinvestering aangrijpen om verder te gaan dan louter één-op-één vervangen. Welke opportuniteit biedt deze vervanging en hoe past dit in het langetermijn-traject? Dit is een verantwoordelijkheid van alle betrokkenen, ook de financiële beslissingsnemers. Een kans missen, is voor het klimaat meer dan één stap achteruit.

 

Werkelijke data is de sleutel

De rode draad is voor ons dat om effectief 30% minder energie te gaan gebruiken, we gebouwen gaan moeten beoordelen op hun wérkelijke prestaties en niet enkel op basis van hun theoretisch E-peil of EPC. Net zoals de E-peilen steeds strenger worden, zouden we ook voor de werkelijke prestaties een steeds strenger wordende benchmark kunnen opstellen.

Op deze manier creëren we een blijvende incentive om zowel oude als nieuwe gebouwen zo efficiënt mogelijk te gebruiken. Ook voor onderhoudsfirma’s en installateurs is hier een belangrijke taak weggelegd.

 

Dit artikel verscheen eerder in Installatie & Bouw