Doorzoek volledige site
23 augustus 2017 | FILIP CANFYN

Steen & Been: (Filip Canfyn): Façaditis

Er moet huiscolumnist Filip Canfyn iets van het hart. "In mijn woonstad K merk ik de laatste tijd weer symptomen van een vuile ziekte, waarvan ik dacht en vooral hoopte dat ze uitgeroeid was dankzij de voortschrijdende beschaving. Op zeker vijf werven, en het zullen er vast meer zijn of worden, worden verdiepingshoge maar slechts twintig centimeter dikke gevels recht gehouden met gele stempels en stalen constructies, na afbraak van een bestaand pand. Het is letterlijk vol spanning wachten op een achterblijvende nieuwbouw, die de bewaarde façades opnieuw stabiliteit moet geven en die meestal de zoveelste dure appartementen moet opleveren."

In mijn geboortestad B, en nu spreek ik over de jaren zeventig, moesten de gevels van een college in het centrum behouden worden maar toch een modern winkelparadijs met uiteraard flats omkragen. Geen wonder dat de nieuwe vloerplaten middenin talloze oude raamopeningen vielen. Eigenlijk kon dit niet, maar ja, de jaren zeventig …

In mijn hoofdstad B, en, ik zit nu in de jaren tachtig, moest niet ver van Madou, aan de binnenring, een herenhuisgevel kost wat kost bewaard worden. Het zogenaamde kleinood verdronk wel volledig in het spiegelpaleis van een protserig kantoorblok. Men wist dat dit goed fout zat, maar ja, de jaren tachtig, …

We ontwikkelden ons meer dan dertig jaar verder maar toch begaan we blijkbaar weer dezelfde doodzonde. Wellicht vanuit een verkeerd begrepen erfgoedeerbied kan weer n’importe quoi gebouwd worden op voorwaarde dat de vroegere gevel maar blijft staan, als een eenzame krijger in weer en wind.

Ik heb deze attitude nooit begrepen, toen niet, vandaag niet en nergens niet.

Eén, een gebouw is veel meer dan een gevel maar een gevel is wel een essentieel onderdeel van een gebouw. Ofwel is het gebouw relevant en behoudwaardig, en dan de gevel ook. Ofwel is het gebouw niét relevant en niét behoudwaardig, en dan de gevel ook niét. Welke optie men neemt, men moet waken over de rechtlijnigheid van die optie.

Twee, de gevel van een gebouw toch isoleren en meenemen als inpakpapier voor een ander gebouw is een illusie creëren, is bedriegen zoals een goochelaar zijn publieke bedot. Wie van een boek alleen de kaft behoudt en de binnenbladzijden uitscheurt om ze te vervangen door de pagina’s van een ander boek, die maakt de kaft zinloos, die belooft een boek, dat zich helaas niet schuilhoudt achter de emballage. Wel, een gebouw is als een boek.

Drie, als die gevel op zich dan toch zo belangrijk wordt dat ze mordicus moet recht gehouden worden, dan vraagt een zekere consequentie dat de nieuwe functies achter de bestaande gevel zich schikken naar die gevel (en niet omgekeerd). Men moet niet alleen bezorgd zijn voor het straatbeeld maar nog veel meer voor het stadsbeeld en de stadsinhoud.

Vier, de suggestie dat hedendaagse architectuur bestaande gevels nooit evenwaardig kan vervangen moet principieel bestreden worden, zeker als moet vastgesteld worden dat de betrokken relikwiefaçades zelden een uitgesproken erfgoedrijkdom maar eerder een kind-van-zijn-tijd-belang hebben. Een nieuw ontwerp kàn dus beter worden.

Vijf, alleen gevels bewaren is veelal het gevolg van een compromis tussen enerzijds een erfgoedambtenaar, die ofwel principieel ofwel wegens reeds te veel in de maling genomen eist dat het ganse gebouw bewaard wordt, en anderzijds een stedelijk bestuur, dat vreest dat niet meer geïnvesteerd zal worden in pakweg appartementen. Spijtig genoeg is niet elk gewiekst compromis een eerzame oplossing.