Doorzoek volledige site
31 augustus 2017

Archeologie in Vlaanderen: de bouwheer aan zet

Sinds 1 juni 2016 gelden in Vlaanderen nieuwe regels inzake archeologie. Vroeger besliste de overheid over het al dan niet moeten uitvoeren van archeologisch onderzoek. Nu ligt de bal in het kamp van een erkend archeoloog, aangesteld door de bouwheer of verkavelaar. Ondertussen zijn we meer dan een jaar verder. Tijd voor een terugblik én een blik vooruit.

Van de erkend archeoloog wordt verwacht dat hij een zogenaamde archeologienota opstelt. Daarin maakt hij een evaluatie van het terrein en de geplande bodemingrepen en de mogelijke kenniswinst. Op basis daarvan geeft hij aan of verder onderzoek – bijvoorbeeld een opgraving – aan de orde is. De archeologienota moet vervolgens door de overheid bekrachtigd worden en door de bouwheer of verkavelaar toegevoegd aan de vergunningsaanvraag. Maar zijn er wel genoeg erkende archeologen om aan de vraag naar archeologienota’s te voldoen?

Als een bouwheer of verkavelaar vandaag een archeologienota bestelt, dan moet hij rekening houden met een wachttijd van al gauw een paar maanden. Voor veel bouwheren en verkavelaars is dat te lang. De meest voor de hand liggende oplossing: zet meer erkende archeologen in, dan kunnen die binnen hetzelfde tijdsbestek meer archeologienota’s opleveren. Die redenering klopt natuurlijk en de archeologische studiebureaus hebben hun personeelsbestand het afgelopen jaar inderdaad om die reden gevoelig uitgebreid.

 

Als een bouwheer of verkavelaar vandaag een archeologienota bestelt, dan moet hij rekening houden met een wachttijd van al gauw een paar maanden.

 

Maar zijn er geen andere factoren die meespelen en waaraan gesleuteld kan worden? Die zijn er zeker! De hierboven besproken oplossing focust louter op de erkend archeoloog, maar daarnaast heb je nog de overheid en de initiatiefnemer zelf. Ook zij kunnen als betrokken partijen bijdragen tot een vlottere afwikkeling van het archeologietraject.

Op vraag van de bouwsector heeft de overheid bijvoorbeeld al een aantal wijzigingen aangebracht in de regelgeving. Zo werd ondertussen de archeologienota light [1] in het leven geroepen, werd bepaald dat je niet meer hoeft te wachten met het indienen van je vergunningsaanvraag tot de procedure tot bekrachtiging [2] van de archeologienota is afgerond en werden een aantal uitzonderingen [3] toegevoegd in welke gevallen je geen archeologienota moet laten opstellen. In de nabije toekomst worden overigens nog meer van dergelijke aanpassingen verwacht.

En dan heb je de initiatiefnemer: de bouwheer, verkavelaar, projectontwikkelaar, … Die toont zich duidelijk bereid om mee te werken aan een oplossing. Hij heeft er natuurlijk ook alle belang bij, want het archeologietraject kost hem tijd en geld. Maar waar kan hij het verschil maken? Op welke zaken heeft hij vat? Hoe pakt hij het aan?

 

De toekomst van de Vlaamse archeologie is er een waarbij de drie betrokken partijen – archeoloog, overheid en initiatiefnemer – elkaar vinden in hun nieuwe rol en samen op zoek gaan naar oplossingen.

 

Voor een antwoord op deze vragen kon de initiatiefnemer vroeger terecht bij de overheid, meestal in de persoon van een erfgoedconsulent verbonden aan het agentschap Onroerend Erfgoed. Maar nu de overheid ook op het vlak van adviesverlening een stap terug heeft gezet, is het aan de archeologische sector om dat gat te vullen. De sector moet dus verder evolueren. Naast de erkende archeologen is er nood aan onafhankelijke archeologen die de bouwheren en verkavelaars met raad en daad bijstaan en out of the box denken. Ze onderscheiden zich van de ‘klassieke’ archeologische studiebureaus, die in de eerste plaats gericht zijn op het opstellen van archeologienota’s en het uitvoeren van opgravingen, niet op het vermijden ervan.

De toekomst van de Vlaamse archeologie is er een waarbij de drie betrokken partijen – archeoloog, overheid en initiatiefnemer – elkaar vinden in hun nieuwe rol en samen op zoek gaan naar oplossingen. Ook de bouwheer, verkavelaar, projectontwikkelaar, … is dus aan zet. Die moet beseffen dat hij de regelgeving niet louter hoeft te ondergaan, maar dat hij ook zelf kan sturen.

------

1: Officiële naam: de archeologienota met beperkte samenstelling. Een ‘klassieke’ archeologienota bestaat uit vijf verplichte onderdelen: een onderzoek van het landschappelijk kader, een onderzoek van het historisch kader, een onderzoek van het archeologisch kader, een impactanalyse van de geplande bodemingrepen en een inschatting van de kenniswinst bij eventueel verder onderzoek. Als bijvoorbeeld uit het historisch onderzoek blijkt dat het terrein reeds verstoord werd door eerdere bodemingrepen, heeft het dan zin om ook de vier andere aspecten nog uitgebreid onder de loep te nemen? Natuurlijk niet! En daarom werd de archeologienota light in het leven geroepen. Als dus uit het landschappelijk, historisch of archeologisch onderzoek blijkt dat er geen archeologisch erfgoed (meer) aanwezig is, als blijkt dat de geplande ingrepen geen negatieve impact zullen hebben op het bodemarchief of als blijkt dat verder onderzoek niet tot nuttige kenniswinst zal leiden, dan kan een archeologienota met beperkte samenstelling volstaan. Sneller, eenvoudiger, goedkoper!

2: Bepaalde vergunningsaanvragen moeten – afhankelijk van de ligging en de grootte van het terrein en de geplande bodemingrepen – worden ingediend met een bekrachtigde archeologienota. Deze bekrachtiging verloopt volgens een welbepaalde procedure. De archeologienota wordt door de erkend archeoloog ingediend bij de overheid, waarop deze laatste een ontvangstbevestiging stuurt. De overheid heeft dan 21 kalenderdagen om de archeologienota te bekrachtigen of te weigeren. Na behandeling stelt de overheid de erkend archeoloog en diens opdrachtgever op de hoogte van de bekrachtiging of weigering. Als de archeologienota geweigerd wordt, dan moet de erkend archeoloog een aangepaste versie opmaken en ter bekrachtiging indienen. Aanvankelijk moest je met het indienen van je vergunningsaanvraag wachten tot je over een bekrachtigde archeologienota beschikte. Ondertussen werd de procedure aangepast en volstaat het om bij de vergunningsaanvraag de hierboven genoemde ontvangstbevestiging toe te voegen. Dat scheelt al snel een paar weken!

3: In de eerste versie van de regelgeving waren al enkele uitzonderingen ingebouwd in welke gevallen er geen archeologienota moet worden opgesteld. Dat geldt bijvoorbeeld voor werkzaamheden binnen het gabarit van bestaande lijninfrastructuur en op terreinen die zijn opgenomen in de GGA-kaart, de kaart met gebieden waar geen archeologisch erfgoed verwacht wordt. In het wijzigingsdecreet van 7 juli 2017, dat retroactief in werking trad op 1 juni 2017, werden bijkomende uitzonderingen opgenomen. Zo was je aanvankelijk ook bij een regularisatieaanvraag verplicht om een archeologienota toe te voegen. Absurd natuurlijk, want de bodemingrepen zijn op dat moment al achter de rug en het archeologisch erfgoed – als dat er al zat – is dan al weg. Hetzelfde geldt trouwens voor het louter verbouwen of herbouwen van een bestaande constructie zonder bijkomende bodemingrepen. Naast dit wijzigingsdecreet heb je ook nog de aanpassingen aan de GGA-kaart, waarbij het aantal gebieden waar geen archeologisch erfgoed verwacht wordt op regelmatige basis wordt uitgebreid. Een goede raad: ga steeds na of je de recentste versie voor ogen hebt!

------

Bart Robberechts biedt als onafhankelijk adviseur archeologie en zaakvoerder van ARCHEOproof eerstelijnshulp aan bouwheren, verkavelaars, ontwikkelaars, … Als stadsarcheoloog van Mechelen heeft hij de voorbije twaalf jaar tal van bouwheren en verkavelaars begeleid die te maken kregen met verplicht archeologisch onderzoek. Onafhankelijk archeologisch advies is een nieuw gegeven in Vlaanderen.

GERELATEERDE DOSSIERS