Doorzoek volledige site
30 oktober 2017 | FILIP CANFYN

Steen & Been (Filip Canfyn): Mijn en dijn

Illustratie | Pexels

Huiscolumnist Filip Canfyn las in de krant een artikel over een privaat ontwikkelingsproject dat niet vergund werd door een tekort aan parkeerplaatsen. "Een vastgoedontwikkelaar verkiest de goedkoopste oplossing: het parkeerprobleem van zijn kopers afwentelen op het openbaar domein. De auto’s moeten maar uitgebreid achtergelaten worden op straten en pleinen: de publieke ruimte is immers van iedereen maar vooral van enkelen en hun auto’s."

In een krant staat een bericht over een bouwaanvraag in een stad. Noch krant noch stad doen er toe want het bericht kan in elke krant over elke stad geschreven worden. Waarover gaat het?

Een vastgoedontwikkelaar wil een woontoren van 15 verdiepingen bouwen middenin een stad, op een lucratieve plek, waar nu nog twee burgerhuizen staan. Het project telt 62 appartementen maar wordt door de stad niet vergund. De hoogte is iets te veel, de vorm is iets te stom maar onaanvaardbaar zijn de ocharme 34 parkeerplaatsen, amper de helft van wat voorgeschreven wordt.

De vastgoedontwikkelaar diept de klassieke tegenargumenten op: méér parkeerplaatsen worden te duur en technisch onhaalbaar, er bestaat weinig vraag naar parkeerplaatsen, men huurt beter een onverkochte parkeerplaats onder een ander gebouw, het is misdadig nog zoveel auto’s naar de stad te trekken, … Zo’n discours is natuurlijk nonsens pro domo van kooplui in de tempel. Eén. Elk huishouden heeft nog altijd (gemiddeld) minstens één auto. Twee. Per appartement één parkeerplaats opleggen is dus logisch maar wie een (te) prijzig appartement koopt heeft misschien geen budget meer voor een al even prijzige ondergrondse parkeerplaats. Drie. Een vastgoedontwikkelaar weigert om commerciële redenen appartement en parkeerplaats als één pakket te verkopen. Vier. Een vastgoedontwikkelaar verkiest de goedkoopste oplossing: het parkeerprobleem van zijn kopers afwentelen op het openbaar domein. De auto’s moeten maar uitgebreid achtergelaten worden op straten en pleinen: de publieke ruimte is immers van iedereen maar vooral van enkelen en hun auto’s.

In elke stad probeert het beleid met mondjesmaat de gevolgen van private ontwikkelingen te laten opvangen binnen de grenzen van die ontwikkelingen en zo meer respect voor de publieke ruimte af te dwingen. De publieke ruimte moet immers écht van iedereen worden: wie daar exclusief en privaat gebruik wil van maken moet dat mooi vragen en hiervoor terecht een soort huur betalen.

In elke stad botst zo’n beleid echter op hardliners, van middenstanders over reclamejongens tot vastgoedboys, die alvast gemeen hebben dat ze zich een deel van de publieke ruimte willen toe-eigenen. Neem bijvoorbeeld de horeca-uitbaters op pleinen. Je wil de heren en dames van de witte kassa niet te eten geven, die menen dat ze hun café, bistro of brasserie zomaar, zonder vragen noch bijdragen, mogen uitbreiden met een buitenterras van ettelijke vierkante meters. Een stad zou eens moeten beslissen om binnenin zo’n zaak een even grote zandbak te storten, waarin alle kinderen kunnen komen spelen wanneer het regent. Het kot zou te klein zijn. Nochtans blijft het principe hetzelfde: mijn is niet dijn, publiek is niet privaat.

Huisvredebreuk kan niet maar willen we afspreken dat stadsruimtebreuk dan ook niet kan? Voor het algemeen belang?