Doorzoek volledige site
05 juni 2018 | FILIP CANFYN

Recensie (Filip Canfyn): Best Buildings - Belgium

Illustratie | Roel Hendrickx

"Het voor een ruim publiek op de markt brengen van een per definitie subjectieve maar verantwoorde selectie van de Belgische architectuur van pakweg de laatste 120 jaar, daar kan niemand tegen zijn. Die selectie laten maken door goden, halfgoden en randfiguren van de architectuur lijkt dan misschien een risicovolle optie (inteelt en esoterie loeren om de hoek) maar reeds in 2018 een verse versie van ‘Best Buildings Belgium’ uit 2012 kunnen uitgeven bewijst dat ook het verdienmodel snor zit. Wat is er in die 6 jaren veranderd?" Filip Canfyn recenseerde voor Architectura.be de nieuwe editie van 'Best Buildings - Belgium'. 

Het selecetiecomité, nu zo’n 40 namen sterk, verwelkomt tien neofieten. Luc Binst out, Stéphane Beel in, naast de eerste bouwmeester van Charleroi, zonder de bouwmeesters van Brussel en Antwerpen én met veel jong geweld, die een duidelijke stempel drukken. Het blijft Vlaanderen boven bij de keurders en in de keuze zelf: Brussel komt quasi alleen met onvermijdelijke klassiekers aan bod en Wallonië vaardigt eerder onbekende maar niet echt overtuigende voorbeelden af.

De geselecteerde werken worden met 20 stuks aangevuld tot bijna 100. Slechts één uit 2012 valt af: het paviljoen van Toyo Ito in Brugge wegens riebedebie (naar de industriezone van Oostende, nota bene). Vijf toppers komen eindelijk in de nieuwe oogst terecht: de Sint-Rita-kerk in Harelbeke van Leon Stynen, de begraafplaats in Kortrijk van Secchi en Souto, de Dossinkazerne in Mechelen van bOb Van Reeth en AWG en tenslotte het Middelheimpaviljoen in Antwerpen en de bibliotheek in Schoten van Renaat Braem. Dat laatste sublieme werk staat nu zelfs op de cover in plaats van de Boekentoren. De samenstelster moet ons wel eens komen uitleggen waarom de woning van Axel Ghyssaert in Sint-Kruis (waar ik trouwens mijn jeugdbroeken versleet) een plaats verdient. Die architect van ook de banale gevangenis in Brugge zal slechts voortleven dankzij een typisch architectenverhaal: als ziekelijk adept van alleen zwart en wit in zijn eigen huis liet hij de grijze zwanen, het resultaat van natuurlijke driften van de zwarte en witte zwanen in zijn vijver, de strot dichtduwen en de nek omwringen.

Ik kon het niet laten te turven wat nu eigenlijk de méést gewaardeerde gebouwen in architectuurkringen zijn. Mijn optelsom van de individuele stemmen levert een mooie maar vooral brave topnegen op.

  1. Stocletpaleis, Brussel, Josef Hoffmann
  2. Boekentoren, Gent, Henry Van de Velde
  3. Kerselarekapel, Edelare, Juliaan Lampens (de ware architect der architecten want ook voor zijn woningen wordt druk gestemd)
  4. Singel, Antwerpen, Leon Stynen
  5. Roosenberg, Waasmunster, Dom van der Laan
  6. Vliegtuigloodsen, Grimbergen, Alfred Hardy
  7. Bozar, Brussel, Victor Horta
  8. BBL-kantoren, Brussel, Brumschaft
  9. (ex aequo) MAS, Antwerpen, Neutelings Riedijks + Mémé, Sint-Lambrechts-Woluwe, Louis Kroll + eigen woning, Gent, Marie-José Van Hee + Guiette – Les Peupliers, Antwerpen, Le Corbusier (en Georges Baines).

Twee architecten staan spijtig genoeg niet in deze gedegen best of-lijst omdat ze veel stemmen krijgen over verschillende ontwerpen: Renaat Braem (Kiel, Rectoraat, Glaverbel, Bibliotheek) en Robbrecht-Daem (Stadshal, Concertgebouw, Melkerij).

Kortom, een boeiend boek, niet voor architecten bedoeld, wat aardig lukt, wel voor liefhebbers bestemd, wat ook aardig lukt. En meer moet dat niet zijn.