Doorzoek volledige site
20 september 2018

Scheurvorming in gebouwen door het krimpen of zwellen van plastische gronden

Illustratie | Pixabay

Plastische gronden (in het bijzonder kleigronden) bezitten de eigenschap om te gaan zwellen of krimpen bij een wijzigend watergehalte. Deze bewegingen leiden regelmatig tot scheurvorming in ondiep gefundeerde constructies. Wat zijn de oorzaken van dit verschijnsel? Welke voorzorgen kan men treffen om het te vermijden en welke maatregelen kan men nemen om het gebouw te stabiliseren met het oog op een herstelling van de schade? Dit WTCB-artikel tracht een antwoord te bieden op deze vragen.

Volumeveranderingen in kleigronden

Een variatie in het watergehalte van kleigronden brengt volumeveranderingen met zich mee. Zo zal er bij een afnemend watergehalte een krimpbeweging ontstaan en bij een stijgend watergehalte een zwelbeweging. Dergelijke volumeveranderingen kunnen bij zeer plastische gronden aanleiding geven tot verticale bewegingen die kunnen oplopen tot wel 10 % van de dikte van de beschouwde grondlaag. De krimp- of zwellingsgevoeligheid van kleigronden kan afgeleid worden uit de plasticiteitsindex: hoe hoger deze index, hoe gevoeliger de grondsoort. Zo zijn tertiaire kleien, zoals de Formaties van Boom en Kortrijk, zeer gevoelig voor volumeveranderingen. De kaart in nevenstaande afbeelding toont de plaatsen in België waar er op geringe diepte onder het maaiveld tertiaire kleien kunnen voorkomen. De kans dat deze volumeveranderingen zich voordoen in meer recent afgezette (quartaire) kleien of leemgronden is kleiner, maar niet uitgesloten. Wanneer de volumeveranderingen optreden in de lagen onder de funderingsaanzet, kunnen ze leiden tot aanzienlijke differentiële zettingen van het gebouw, met scheurvorming tot gevolg. Ook het funderingstype speelt hierbij een belangrijke rol. Zo zijn klassieke strookfunderingen zettingsgevoeliger dan een algemene funderingsplaat.

 

Oorzaken van de scheurvorming

  • 2.1 Invloed van seizoenschommelingen


Doordat de bovenste grondlagen in de zomer uitdrogen en in de winter opnieuw bevochtigd worden, kan het watergehalte van de grond variëren tot op een diepte van ongeveer 1,5 meter. Op grotere dieptes is het watergehalte nagenoeg constant. Een langdurige droogte kan leiden tot een verschillend watergehalte in de grond aan de omtrek en onder het centrale deel van het gebouw. Dit heeft op zijn beurt een differentiële krimpbeweging van de grond tot gevolg die scheuvorming in het gebouw kan veroorzaken wanneer de funderingen op minder dan 1,5 meter diepte aangebracht zijn.

Lees verder op de WTCB-website