Doorzoek volledige site
28 november 2018 | CATHERINE DE WOLF

Hergebruik brengt actoren van de bouwsector samen

Illustratie | Catherine De Wolf
Illustratie | Catherine De Wolf
Ontmanteling Illustratie | ROTOR
Ontmanteling Illustratie | ROTOR
Ontmanteling Illustratie | ROTOR

Waar vroeger de Leonidas chocoladefabriek lag in Brussel, wacht nu een indrukwekkende voorraad gerecupereerde materialen op een nieuwe bestemming, in de opslagplaatsen an de vereniging Rotor en haar autonome antenne RotorDC (Deconstruction/Consulting), die recent de 2018 Schelling Architecture Award ontvingen voor hun baanbrekende projecten op het gebied van hergebruik. Catherine De Wolf heeft Michaël Ghyoot geïnterviewd. Binnen Rotor is hij architect en projectverantwoordelijke. Hij is ook co-auteur van "Déconstruction et réemploi” samen met Lionel Devlieger, ingenieur-architect, Lionel Billiet, bio-ingenieur en stichtend lid van Rotor DC en André Warnier, architect.

Hergebruik vormt inderdaad de kern van hun activiteiten: tijdens de transformatie of de sloop van gebouwen grijpen ze in om componenten in goede staat te herstellen en een nieuw thuis in andere projecten te vinden. Niet te verwarren met recyclage[1] (waarbij hout tot spaanders wordt omgevormd en beton tot aggregaten bijvoorbeeld), die een meer diepgaande transformatie van de materialen inhoudt. Hergebruik is niet alleen een reactie op ongeremde consumptiedrang en op een (te) hoge milieu impact van materialen, maar ook een bron van werkgelegenheid in een sociale en solidaire economie. Dit is een kans om nieuwe banen te creëren en te doen herleven: ontbouwers, materiaalschoonmakers, herstellers, restaurateurs, inventaris technici, materiaaltesters, of de herbouwers[2].


Rotor vervult meerdere missies: ontwerp, projectmanagement, onderzoek, tentoonstellingen, enzovoort. Wat zijn deze verschillende rollen van Rotor?

M.G.: “Een eerste functie is die van interieurarchitectuur. Een tweede functie is consultancy op het gebied van hergebruik, zowel voor de overheid als voor particuliere aanbieders, in verschillende stadia van het project en op verschillende niveaus. Een derde functie is de bijdrage aan het inhoudelijk debat over de kwestie van duurzaamheid, van de circulaire economie, in de vorm van publicaties, tentoonstellingen, conferenties, maar ook workshops en studio's die we animeren in architectuurscholen.

En dan is er sinds 2016 Rotor DC, een autonoom bedrijf en een soort spin-off gegroeid uit het onderzoek binnen Rotor. Rotor DC richt zich voornamelijk op de deconstructie van bouwelementen in gebouwen die gesloopt worden en hun hergebruik.

Hoewel we stevig geworteld zijn in Brussel, zijn we heel mobiel: mijn collega’s komen net terug van een studio in Columbia in New York, en daarvoor van een studio aan TU Delft in Nederland. We hebben ook veel interactie met projecteigenaren in Frankrijk, zoals Paris Habitat.”

 

Hoe zit het met hergebruik in België?

M.G.: “In België, en in Brussel in elk geval, is het heel opvallend dat de regering de kwestie van hergebruik ter harte neemt. In Brussel bijvoorbeeld is het Gewestelijk Programma voor Circulaire Economie (GPCE) een vrij sterke verwezenlijking van deze ambities. Het is een soort van plan dat is opgesteld door verschillende ministeries van het Brussels Gewest om een ​​transitie naar de circulaire economie te bevorderen, vooral in de bouwsector. Ik denk dat Brussel weerspiegelt wat er op Europese schaal gebeurt. In de afgelopen decennia is er veel aandacht geweest voor de energieprestaties van gebouwen: er zijn maatregelen en zelfs wettelijke voorschriften opgesteld om een gebouw minder energie te laten gebruiken voor verwarming, koeling enzovoort. Energieverbruiksdrempels werden opgelegd voor de gebruiksfase van gebouwen. Nu beseffen we dat we, zonder de middelen te specificeren om deze drempels te bereiken, riskeren tot een averechts resultaat te komen. Om een cliché voorbeeld te geven, in plaats van 30 jaar lang olie te verbranden om een ​​gebouw te verwarmen, gebruiken we dezelfde hoeveelheid olie in de vorm van isolatieproductie om gebouwen in dikke isolatielagen te verpakken. Vanuit dit oogpunt is de totale milieu-impact niet per se beter (nvdr. het verschil tussen operational carbon versus embodied carbon werd uitgelegd in “Ingenieurswetenschappen leren in een geschiedenisboek”). De circulaire economie lijkt dus een logische voortzetting te zijn van de vermindering van het totale energieverbruik in gebouwen.”

 

Hoe definieer je de circulaire economie?

M.G.: “We beantwoorden die vraag in ons nieuwste boek (nvdr. Déconstruction et réemploi). Er wordt veel gedebatteerd over het concept van circulaire economie. Persoonlijk denk ik dat het succes van dit idee op dit moment juist ligt in de meervoudige definities en interpretaties. Ik denk dat die verschillende interpretaties voor nieuwe of verrassende situaties zorgen. Mensen die elkaar anders nooit zouden ontmoeten, komen bijvoorbeeld samen om nieuwe manieren van bouwen te definiëren. De circulaire economie brengt actoren van de bouwsector op die manier samen.”


Lees het vervolg van dit interview hier. 

 

[1] Ghyoot, M., Devlieger, L., Billiet, L., Warnier, A. (2017) “Déconstruction et réemploi. Comment faire circuler les éléments de construction. » Rotor, Presses polytechnique et universitaires romandes, Le bâti bruxellois, source de nouveaux matériaux (BBSM), p 8.

[2] Ibid, p. 212.