Doorzoek volledige site
07 februari 2019

“Prestatiecontracten zijn de beste manier om circulaire renovaties te realiseren”

Johan Coolen: "Met CiRe willen we gebouwen zo renoveren dat ze energie besparen én dat er bij de renovatie circulaire materialen worden gebruikt." Illustratie | Kamp C

Nu circulair bouwen stilaan een vertrouwd begrip is in de sector, groeit de interesse voor een gelijkaardige innovatie: circulair renoveren. Het Antwerpse bouwadviesbureau Factor4, de Vrije Universiteit Brussel (VUB) en het Vlaams EnergieBedrijf (VEB) sprongen alvast op de kar. Met het project CiRe (‘Circulair Renoveren’) mikken ze op de circulaire renovatie van publieke gebouwen. Daarvoor ontwikkelen ze een innovatief prestatiecontract dat ze zullen uittesten bij de renovatie van ruim 20 Vlaamse publieke gebouwen. Johan Coolen, die met Factor4 het project coördineert, legt op de website van Kamp C uit hoe CiRe de klassieke manier van renoveren grondig zal veranderen.


Wat kan er beter aan de manier waarop de renovatie van overheidsgebouwen vandaag wordt uitgevoerd?

Johan Coolen: “In een klassiek renovatieproject werken alle partijen naast elkaar. Er vindt eerst een energie-audit plaats, een ingenieursbureau tekent vervolgens de renovatie uit en een aannemer staat in voor de uitvoering. Na de werken zorgt nog een andere partij voor het onderhoud van het gerenoveerde gebouw. Kortom: alle betrokkenen focussen op hun deel van het renovatieproject. Er is geen eindverantwoordelijke die waakt over de duurzaamheid en de circulariteit van het project. Wat blijkt? Die manier van werken zorgt vaak voor een ondermaats resultaat.”


Hoe wil het CiRe-project daar verandering in brengen?

“Met CiRe willen we gebouwen zo renoveren dat ze energie besparen én dat er bij de renovatie circulaire materialen worden gebruikt. Samen met de VUB en het VEB ontwikkelen we daarvoor een innovatief bestek, dat de vorm heeft van een prestatiecontract. Dat contract legt bindende doelstellingen vast rond de energiebesparing, de circulariteit, de restwaarde en het comfort van het gerenoveerde gebouw.”

“Geïnteresseerde partijen kunnen vervolgens als ‘Energy Service Company’ of ESCO intekenen op de aanbesteding. Dat betekent dat ze alle aparte aspecten van de renovatie samen gaan uitvoeren en zich niet meer concentreren op hun eigen deeltaak. Een belangrijk verschil met een klassiek renovatieproject is dat ze zo gezamenlijk verantwoordelijk worden voor de doelstellingen uit het prestatiecontract. Worden die doelstellingen niet gehaald, dan wordt de ESCO daar financieel voor afgestraft.”


Hoe gaat dat in zijn werk?

“Stel dat in het prestatiecontract is opgenomen dat de renovatie een energiebesparing van 300.000 euro moet opleveren. Als achteraf blijkt dat er maar 250.000 euro bespaard wordt, moet de ESCO het verschil terugbetalen aan de opdrachtgever. Het omgekeerde kan ook: als de ESCO 400.000 euro bespaart, heeft hij recht op de helft van de extra besparing. 50.000 euro dus. Dat is een erg efficiënte, rationele en duidelijke manier van werken die ook op Europees niveau wordt aangemoedigd.”

“De kwaliteit van een prestatiegebaseerde energierenovatie is in het algemeen ook beter dan die van een doorsnee energierenovatie. Die zal trouwens nog toenemen door in de toekomst aangepaste kwaliteitsnormen te introduceren voor prestatiecontracten. Momenteel worden die normen op Europees niveau ontwikkeld via projecten zoals QualitEE.”


Leidt die prestatiegerichte aanpak tot meer innovatie?

“Bij Factor4 verwachten we van wel. De competitieve dynamiek die bij een openbare aanbesteding ontstaat, zal ervoor zorgen dat bedrijven met nieuwe technieken en slimmere combinaties van maatregelen op de proppen komen. Ook op het vlak van circulariteit. In het contract bepalen we immers niet hoe de ESCO’s moeten werken, we leggen alleen het eindresultaat vast. Zo’n context schept veel meer ruimte voor innovatie dan een klassieke aanbesteding. Daarin maken vernieuwende oplossingen vaak geen kans omdat ze niet beschreven staan in het bestek. Prestatiecontracten zijn dus met voorsprong de beste manier om circulaire renovaties mogelijk te maken.”


Hoe ziet zo’n circulaire renovatie er in de praktijk uit?

“Dat zal het CiRe-project moeten uitwijzen zodra de eerste offertes voor de openbare aanbesteding binnenlopen. Momenteel hebben we daar nog geen zicht op, aangezien we ons niet toespitsen op het technische aspect. We willen vooral de randvoorwaarden creëren waarbinnen de ESCO’s met circulaire oplossingen komen.”

“Wat wel vaststaat is dat de bedrijven die intekenen op de aanbesteding zoveel mogelijk circulair moeten werken. Die circulariteit zal op twee manieren beoordeeld worden. In de eerste plaats door naar de milieukost van de materialen te kijken, berekend via de TOTEM-tool van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM). Ten tweede door de mogelijke herbruikbaarheid en demonteerbaarheid van de materialen te beoordelen.”

“Of we ook voorwaarden zullen opleggen rond het effectief hergebruiken en demonteren van de materialen is nog niet zeker. We willen ook niet té veel innovaties en voorwaarden opleggen in één keer. Dat zou bedrijven kunnen afschrikken.”


Zullen in de toekomst alle renovaties circulair zijn?

“Ik denk van wel. Als we later terugkijken naar vandaag, zullen we verbaasd zijn dat we waardevol bouwafval gewoon naar het stort afvoerden. Er valt ook heel wat winst te rapen qua duurzaamheid. Een circulair en energiezuinig gebouw zetten is mooi, maar in bestaande gebouwen een circulaire energierenovatie realiseren heeft een veel grotere impact.”


Meer info over het CiRe-project vind je hier.

GERELATEERDE DOSSIERS