Doorzoek volledige site
13 februari 2019

Lucien Denissen: Het hesje van de architect

Illustratie | Pixabay

“Het is naïef te stellen dat architecten opdrachten in stedenbouwkundig twijfelachtige situaties beter zouden weigeren, en hierdoor zichzelf moeten schrappen als partner van promotoren (die er dan andere zoeken), om tenslotte ‘hun winkel te moeten sluiten’. Architecten hebben immers de sleutels in handen van de architectuur, maar vaak niet die van de ruimtelijke planning, en nog minder die van de ambities van de klant.” Ir.-architect Lucien Denissen las de laatste Steen & Been van Filip Canfyn en kroop in zijn pen.

In de intro van zijn laatste column ‘Architectenhesje’ citeert Filip Canfyn Gerrit Komrij : “… Iedereen heeft het recht over architectuur mee te praten. … Geluk is niet iets om toe te vertrouwen aan architecten.”

Hij wijst er op dat sommige architecten last hebben van een tekort aan zelfrelativering, en graag in het nieuws komen “met iets, zeer hoog of zeer duur of zeer lelijk”. Hierdoor wordt volgens Canfyn, ‘de architect’ (veralgemenend) in de volksmond weggezet als een ongewenste kostenfactor.

Verder roept hij de architecten op tot maatschappelijk engagement en steun aan de bosbrossers, o.m. door hun bijdrage aan ‘het inplanten van woningen’ te staken.

Canfyn komt dan zelf (genoegzaam?) tot de vaststelling “Ik word in bepaalde kringen wel eens versleten voor professionele nestbevuiler.”

---

Kritische geluiden over het klimaat en dus ook over architectuur zijn welkom, maar moet je daarom de architect met het badwater weggooien? Is een sereen debat niet meer gebaat met wat meer relativering vanuit diverse invalshoeken? Om ons tot de voorafgaande ideeën te beperken:

-       Het is even naïef de verantwoordelijkheid voor stad en dorp zomaar over te dragen aan mensen die architectuur en ruimtelijke planning alleen zouden kennen vanuit hun engagement. Iedereen mag meepraten en moet zijn rol spelen, maar niet in een chaotisch debat, toch? Waarom dan professionelen aan de kant zetten?

-       Vele architecten delen niet de hun door Filip toegedachte doelstelling alsof ze in het nieuws willen komen “met iets, zeer hoog of zeer duur of zeer lelijk”. Integendeel, er zijn er heel wat die zorgzaam omgaan met hun opdracht. Is professionalisme altijd narcistisch? Zijn er (gelukkig maar) geen ego’s in alle beroepen?

-       De omschreven narcistische architect is er niet eens de oorzaak van dat het grote publiek de architect een ongewenste kostenfactor vindt. Een opdrachtgever, die opteert voor een dure architect(uur), gaat achteraf niet klagen in een budgettaire val te zijn getrapt. De meeste realisaties zijn gelukkig eco(-nomisch, - logisch). ‘De volksmond” is gemiddeld best tevreden over de architect maar ook niet afkerig van enig eigenbelang, net zoals ze graag 1 paprika betalen en 2 extra gratis krijgen. Studies hebben intussen aangetoond dat architect zijn een onderbetaald vrij beroep is, te meer daar het takenpakket alsmaar groter wordt. De loze suggestie omtrent ‘ongewenste kosten’ kan dus moeiteloos ontkend worden.

-       De zgn. illusie van de betonstop ligt niet zozeer in ‘het inplanten van woningen’ maar in de ‘appartementisering’ van steden en gemeenten. Het initiatief om te bouwen (te beginnen met grond verwerven) is het laatste decennium van particulieren overgegaan in handen van projectontwikkelaars die onroerend goed promoten nu andere beleggingsvormen zijn ingestort. Onlangs nog stelde de Confederatie van de Bouw voor slopen en herbouwen te belonen met 6% btw, een cadeau voor promotoren die wat graag een woningenrij slopen om er (zo veel mogelijk) kleine (*) appartementen te kunnen bouwen, waardoor de leefbaarheid van de buurt, o.m. door verkeerscongestie, in het gedrang komt. Cradle to cradle? (*) dit is ook een ongenuanceerde karikatuur.

 

Overigens heeft Canfyn een punt als hij stelt dat de architect zich moet bezighouden met verantwoord bouwen, en zich niet mag opsluiten in zijn ivoren toren als ontwerper.

Verkavelingsvlaanderen is echter de speeltuin van ‘de markt’, die onderhandelt met financiers en de overheid, die zich in het beste geval laat bijstaan door planologen. Nadien zoekt men architecten om de architectuur uit te tekenen en de uitvoering op te volgen. Het is naïef te stellen dat architecten opdrachten in stedenbouwkundig twijfelachtige situaties beter zouden weigeren, en hierdoor zichzelf moeten schrappen als partner van promotoren (die er dan andere zoeken), om tenslotte ‘hun winkel te moeten sluiten’. Architecten hebben immers de sleutels in handen van de architectuur, maar vaak niet die van de ruimtelijke planning, en nog minder die van de ambities van de klant.

Mogelijk uit machteloosheid zijn architecten niet meteen geneigd een hesje aan te trekken, van welke kleur ook. ‘Relativering moet kunnen’, zei je toch, Filip ?

Hiernaast moet de betonstop niet alleen aandacht besteden aan de woningbouw. Een merkwaardig voorbeeld van twijfelachtig terreingebruik werd onlangs gepubliceerd in het tijdschrift van Febelcem onder de veelzeggende titel ‘Pakketboot op het weiland’. Het ganse nummer (19 blz) is gewijd aan één groot (kantoor)gebouw, vermoedelijk in Wallonië en waarvan slechts helemaal achteraan de opdrachtgever wordt genoemd. De architectuur ervan is hedendaags en pretentieloos. Het artikel vermeldt als context “de grens tussen de stedelijke periferie en het landschap”. Maar de foto’s tonen haar situering in the middle of nowhere, tussen enkele huizen, verspreid in het groen, met op de voorgrond koeien en hooioppers. Willen zij hiermee het misplaatste woord ‘betonstop’ een nieuwe reden van bestaan geven?

Het wordt tijd een genuanceerd debat te voeren op basis van principes en voorbeelden, goede en slechte, en niet te vervallen in slogans of het schieten op sommige pianisten die een foute noot spelen.

 

GERELATEERDE ARTIKELS