Doorzoek volledige site
04 april 2019 | TIM JANSSENS

De voornaamste drivers op weg naar een circulaire bouwpraktijk

Tim Ost: "Alles begint bij het ontwerp. Helaas wordt er over het algemeen nog steeds in functie van een traditionele opbouw van wanden, vloeren en andere elementen gedacht"
Tim Ost: "Er beweegt wel wat op het vlak van circulair bouwen. Het is echter zaak om de puzzelstukjes in elkaar te doen passen en samen te voegen tot één geolied geheel.”
Tim Ost is alvast op eigen houtje aan het experimenteren in zijn eigen woning: “Ik heb een circulaire wand gekocht (JuuNoo), waarvan de structuur nog steeds eigendom is van de fabrikant."
Tim Ost is alvast op eigen houtje aan het experimenteren in zijn eigen woning: “Ik heb een circulaire wand gekocht (JuuNoo), waarvan de structuur nog steeds eigendom is van de fabrikant."

Iedereen binnen de bouwsector heeft de mond vol van circulair bouwen, maar in hoeverre zijn we klaar om de achterliggende principes effectief toe te passen? “Het is een paradoxale situatie: de trein lijkt vertrokken, maar de markt is nog volop in transitie”, weet Tim Ost, die zich als project engineer binnen de cel Sustainable Design van VK Architects & Engineers dagelijks verdiept in deze boeiende materie. “Er is veel goede wil, maar nog minstens evenveel werk aan de winkel!”

De ideale wereld volgens Tim Ost en andere believers van het circulair bouwen? Een wereld waarin alle materialen steeds opnieuw hun weg vinden naar de fabrikant en waarin dus effectief sprake is van gesloten kringlopen – liefst met lokale verankering en zo kort mogelijke lijnen. Een wereld waarin een gebouw beschouwd wordt als een entiteit die in technisch-functioneel opzicht uit diverse lagen met een verschillende levensduur bestaat. Waarin gebouwen ontworpen worden volgens verschillende potentiële scenario’s, waarbij je kan inspelen op het onderscheid tussen delen die zullen blijven staan (de zogenaamde ‘ruïne’) en delen die vrij en flexibel invulbaar zijn. Een wereld waarin ontwerpers verder kijken dan de korte termijn en steeds een plan-B achter de hand hebben: welke nieuwe functie(s) kan het gebouw krijgen als het aan het einde van zijn levensduur aanbeland is? Welke zaken moeten daarvoor wijzigen en welke demontabele elementen moeten we voorzien? “Kortom: een wereld waarin gebouwen zo lang mogelijk in stand gehouden worden dankzij de nodige ruimtelijke flexibiliteit en waarin hun componenten aan het einde van hun levensduur opnieuw geïnjecteerd worden in de gesloten materialenkringloop”, vat Tim Ost samen.

 

Scenariodenken als nieuwe norm

Klinkt geweldig, maar de ideale wereld verschilt sterk van de hedendaagse realiteit. Dat beseft ook Tim Ost, die aangeeft dat er nog heel wat uitdagingen te overwinnen zijn vooraleer de circulaire mindset definitief zijn intrede kan doen: “Alles begint uiteraard bij het ontwerp. Helaas wordt er over het algemeen nog steeds in functie van een traditionele opbouw van wanden, vloeren en andere elementen gedacht. De reflex om technieken te integreren in de chape, elementen aan elkaar te lijmen, ‘natte’ systemen te gebruiken, enzovoort is nog steeds alomtegenwoordig. Dit resulteert in statische constructies die veel moeilijker te ontmantelen zijn en die aan het eind van het verhaal dus ook een veel kleinere restwaarde hebben.”

“Een gebouw ontwerpen en je pas aan het einde van de levensduur afvragen wat er nu eigenlijk mee kan of moet gebeuren, zou voortaan uit den boze moeten zijn”, benadrukt Tim Ost. “Scenariodenken is de nieuwe norm! Een andere belangrijke uitdaging is opdrachtgevers overtuigen van de voordelen van circulair bouwen – voor velen toch nog steeds een ver-van-hun-bedshow. Verandering lokt weerstand uit, dus het vraagt wel wat tact en feeling om circulair bouwen en de bijhorende principes op de juiste manier te introduceren.”

 

"Een gebouw ontwerpen en je pas aan het einde van de levensduur afvragen wat er nu eigenlijk mee kan of moet gebeuren, zou voortaan uit den boze moeten zijn. Scenariodenken is de nieuwe norm!"

 

Shift van eigenaarschap naar gebruik

Een circulair gebouw vergt niet alleen een doordacht ontwerp, maar ook circulaire producten en materialen. Uit het marktonderzoek dat Tim Ost voor VK Architects & Engineers verricht, blijkt dat heel wat fabrikanten gemotiveerd zijn om hun werkwijze en producten een circulaire dimensie te geven. “Alleen is de impact daarvan niet te onderschatten, zeker als de fabrikant eigenaar blijft van zijn product (opslag, logistiek, juridische vraagstukken en garanties …). Het zal nog wel wat tijd nodig hebben om geschikte businessmodellen te ontwikkelen en maatoplossingen uit te werken.”

Ost hamert op een fundamentele mentaliteitswijziging. “Een van de belangrijkste aspecten binnen circulaire economie is de shift van eigenaarschap naar gebruik, die de ‘end-of-life’- of ‘end-of-use’-retourlogistiek voor het sluiten van de materiaalkringloop zal faciliteren. Anders gezegd: in een circulaire realiteit ‘leasen’ gebruikers het gebouw en de materialen waaruit het is opgebouwd, en de verantwoordelijkheid ligt bij de aannemer en/of bij fabrikanten. Maar die switch gaat uiteraard gepaard met de nodige aanpassingen. Denk bijvoorbeeld aan prefinanciering van materiaaltransacties door financiële instellingen om zulke leaseformules mogelijk te maken. Ook op juridisch vlak moeten er uiteraard eerst belangrijke knopen doorgehakt worden ...”

 

Wachten op pilootprojecten

Kortom: de implementatie van de circulaire bouwpraktijk is een complex gegeven. Hoe kunnen we de broodnodige transitie een duwtje in de rug geven? “In de eerste plaats door pilootprojecten op poten te zetten, want daar zit iedereen toch wel op te wachten”, zegt Tim Ost. “Veel spelers houden zich klaar om circulaire maatoplossingen uit te werken. Gelukkig zit er intussen wel wat in de pijplijn, al lijkt een volledig circulair gebouw voorlopig een utopie. Dat is echter geen ramp, want we mogen ook niet te snel gaan. Als er binnenkort in een bepaald project – na de nodige value engineering – al één demontabel materiaal met een lage initiële milieu-impact toegepast wordt waarvoor de afspraak geldt dat de fabrikant het terugneemt aan het einde van de levensduur, dan zou dat al een mooie stap vooruit zijn!”

Ost is alvast op eigen houtje aan het experimenteren in zijn eigen woning. “Ik heb een circulaire wand gekocht (JuuNoo), waarvan de structuur nog steeds eigendom is van de fabrikant. Ik mag die structuur twee jaar gebruiken en heb vervolgens de keuze of ik hem opnieuw laat demonteren of wil overkopen (waarvoor nu al een prijs afgesproken is). Ik ben ervan overtuigd dat dergelijke modellen wel degelijk toekomst hebben, temeer omdat ze in economisch opzicht de nodige voordelen bieden – zowel voor fabrikanten als voor gebruikers.”

 

“De Vlaamse overheid heeft het in haar aanbestedingen steeds vaker over het sluiten van kringlopen, Cradle to Cradle, ‘efficiënt materiaalgebruik’, afval vermijden, enzovoort, maar we hebben vooral nood aan een regelgeving of de formulering van benchmarks, als driver voor de creatie van een ketensamenwerking"

 

Wachten op benchmarks van de overheid

Pilootprojecten kunnen helpen om circulair bouwen definitief te lanceren, maar ook de overheid mag een proactievere houding aannemen, vindt Tim Ost. “De Vlaamse overheid heeft het in haar aanbestedingen steeds vaker over het sluiten van kringlopen, Cradle to Cradle, ‘efficiënt materiaalgebruik’, afval vermijden, enzovoort. Stilaan komt dat dus wel tot uiting, al denk ik dat we vooral nood hebben aan een regelgeving of de formulering van benchmarks, als driver voor de creatie van een ketensamenwerking. Momenteel kijkt de overheid naar de markt om projecten te realiseren die als basis voor de formulering van bepaalde doelstellingen kunnen fungeren, terwijl de bouwactoren en de markten wachten op benchmarks waar ze naar kunnen toewerken. Met als resultaat dat iedereen ondanks de vele goede bedoelingen toch een beetje op zijn honger blijft zitten.”

“Hierbuiten staat een container met allerlei bouwafval, een beeld dat de huidige situatie perfect illustreert”, vervolgt Ost. “Mocht er sprake zijn van een bepaalde stimulans (bijvoorbeeld een klein geldbedrag), dan zou men allicht moeite doen om de verschillende materialen te scheiden en de herbruikbare fracties opzij te houden. Maar nu is er geen reden om dat te doen en blijven we in hetzelfde bedje ziek. Sommige fabrikanten (Derbigum, Rockwool …) nemen gelukkig zelf initiatief met het oog op selectieve ontmanteling (nu ook verplicht door Tracimat) en hergebruik van restfracties. Er beweegt dus wel wat, maar het is zaak om de puzzelstukjes in elkaar te doen passen en samen te voegen tot één geolied geheel.”