Doorzoek volledige site
08 maart 2012 | TIM JANSSENS

Verslag van een interessant debat rond Belgische architectuur in het buitenland

Vorige week werd in de Brusselse Bozar het boek 'Belgian architecture beyond Belgium' voorgesteld. Naar aanleiding hiervan organiseerde A+ een architectendebat over het aanzien en de aanwezigheid van Belgische architectuur in het buitenland. Architectura was op post en noteerde enkele opvallende uitspraken.
Vorige week werd in de Brusselse Bozar het boek 'Belgian architecture beyond Belgium' voorgesteld, een mooi geïllustreerde publicatie waarin A+Editions de specificiteit van onze architecturale export probeert te vatten. Naar aanleiding van de lancering van dit boek, organiseerde A+ een architectendebat over het aanzien en de aanwezigheid van Belgische architectuur in het buitenland. Architectura was op post en noteerde enkele opvallende uitspraken.


Geen eenduidige antwoorden

Belgische architectuur in het buitenland: het blijft een heikel thema. Hoewel de Belgische manier van ontwerpen en bouwen over het algemeen wel geapprecieerd wordt, kunnen we – als we tenminste al over een gezamenlijke 'Belgische stijl' kunnen spreken – moeilijk beweren dat onze architectuur echt 'hot' is. Sommigen opperen dat onze bescheiden volksaard geen goede voedingsbodem is voor een grote internationale doorbraak, anderen beweren dan weer dat we qua financiële middelen en mankracht ruimschoots tekortschieten om grote buitenlandse projecten tot een goed einde te brengen. Zijn we te klein als landje, of is het buitenland te groot voor ons? Bestaat 'Belgische architectuur' überhaupt wel, of zijn onze jongere bureaus al zodanig 'geïnternationaliseerd' dat de vraag naar die specificiteit van onze architectuurexport al achterhaald is vooraleer ze min of meer beantwoord kon worden? Wie zal het zeggen?
Hoe dan ook zijn er wel wat Belgische bureaus die enkele mooie buitenlandse realisaties kunnen voorleggen. 'Als we van iemand kunnen horen hoe de vork in de steel zou kunnen zitten, is het van hen,' bedacht de redactie van A+, en het organiseerde prompt een debat met ervaringsdeskundigen bOb Van Reeth (AWG), Freek Persyn (51N4E), Prudent De Wispelaere (Charles Vandenhove Architecture) en Isidore Zielonka (Art&Build). Een goede poging, maar al snel werd duidelijk dat  eenduidige antwoorden niet bestaan en dat elk bureau min of meer z'n eigen weg gaat. Architectura onthield vooral volgende zaken. 



Van links naar rechts: Prudent De Wispelaere, Isidore Zielonka, Freek Persyn en bOb Van Reeth.




Het belang van referenties


Hoe laat een Belgische architect zich opmerken in het buitenland? Zijn het zijn of haar persoonlijke stijl, een bepaalde specialisatie, de eerdere realisaties of het uitgebouwde netwerk binnen de bouwsector die maken dat buitenlandse opdrachtgevers contact opnemen met onze architecten? 

Prudent De Wispelaere is ervan overtuigd dat het vooral de eerdere realisaties zijn die buitenlanders over de streep trekken: “Het is altijd een bepaalde referentie die ervoor zorgt dat ze geïnteresseerd raken in wat je doet. Wanneer ze op één van je realisaties botsen, is dit ook nooit het resultaat van een grondige prospectieronde. Het toeval speelt toch een zekere rol.”

Volgens bOb Van Reeth zijn het ook vooral publicaties in de media die een architectenbureau bekend maken in binnen- en buitenland. “Ze geven je een gezicht en zijn in feite een visitekaartje om u tegen te zeggen. Vervolgens word je dan – als alles goed gaat – gevraagd om elders in het buitenland iets gelijkaardigs te doen en ga je aan de slag. Dit is in België zelf echter quasi ondenkbaar. Als je hier al iets gerealiseerd hebt lijkt men de neiging te hebben om je bewust niet opnieuw te vragen.”




Awg is vooral actief in Nederland. Het puntgebouw op het Amsterdamse Westerdokseiland is een van z'n meest opvallende realisaties.


 

Isidore Zielonka meent dan weer dat relaties binnen de sector wel degelijk een verschil kunnen maken: “Wij hebben nog niet zo vaak het geluk gehad om quasi 'uit het niets' gevraagd te worden. Bij ons verliep onze internationale doorbraak min of meer via Belgische projectontwikkelaars die hun geluk gingen beproeven in Frankrijk. Wanneer we dan enkele projecten tot een goed einde hadden gebracht, ging de bal vanzelf aan het rollen. We moeten hierbij ook wel aanstippen dat je bij ontwerpwedstrijden in Frankrijk verloond wordt, waardoor je – eens je bepaalde referenties hebt – toch veel meer geneigd bent om eraan mee te doen. Hoewel je heel wat projecten misloopt, heb je daar de garantie dat je toch niet volledig voor niets gewerkt hebt. Dat ligt hier helaas helemaal anders.”
 
Het relatief jonge 51N4E deed het op een iets modernere, meer kosmopolitische manier. Doordat ze vanaf het begin in een vrij internationale context studeerden en werkten (bijvoorbeeld aan het Berlage Instituut in Rotterdam), kwamen ze automatisch in contact met buitenlandse collega's. Op die manier maakten deze laatsten – zonder het zien van echte referenties – kennis met de visie en de conceptuele architectuurfilosofie van 51N4E, wat hen in de toekomst enkele mooie buitenlandse opdrachten zou opleveren. Freek Persyn van 51N4E hamert er echter op dat je het achterliggende concept van elk project voldoende moet kaderen wanneer je het toont aan buitenlandse opdrachtgevers: “Architectuur kan je volgens mij enkel begrijpen vanuit een cultuur, dus het komt erop aan om niet enkel het gebouw, maar ook de omringende cultuur uit te leggen, te tonen en te exporteren. Het naar buiten brengen van een programma heeft enkel zin als je het dan ook ‘ruimer’ communiceert.”



Freek Persyn (51N4E) over het feit dat jongere bureaus het tegenwoordig gewend zijn om in een internationale context te opereren.



Het nut van de Open Oproep


Willen wij Belgen onze architectuur bekender maken in het buitenland, dan moeten we ervoor zorgen dat men er onze referenties te zien krijgt. Het gaat hierbij dan niet enkel om projecten in het buitenland, maar eens te meer om onze eigen architectuur. De internationalisering van onze architectuur krijgt een flinke stimulans wanneer buitenlandse opdrachtgevers en architecten zelf komen kijken naar wat we op bouwkundig en architecturaal vlak te bieden hebben. Persyn haalt in dit verband het belang van de Open Oproep aan: “De Open Oproep zet België op de architectuurkaart. Het lokt buitenlanders naar hier en laat ze kennismaken met onze architectuurbeleving, wat de cultuur van Vlaanderen op zich ook heeft veranderd. De export van Belgische architectuur is een dynamiek die volgens mij in twee richtingen werkt. Buitenlandse invloeden zijn per definitie een verrijking omdat de dingen dan eindelijk losgetrokken kunnen worden uit hun vast kader. Een systeem als de Open Oproep kan dit broodnodige proces stimuleren.”
Dit werd beaamd door bOb Van Reeth, die in 1998 als eerste Vlaamse Bouwmeester werd: “Na mijn termijn hadden we een portfolio van meer dan duizend architectenbureaus uit zeventien verschillende landen. De Open Oproep gaf en geeft wel degelijk een boost aan de Belgische architectuur.”



51N4E realiseerde onder andere de spectaculaire TID-woontoren in Tirana.


 

Lokale partners of niet?

Hoewel je zou denken dat buitenlands projecten voor Belgische bureaus  per definitie tijds- en kapitaalsintensief zijn, blijkt dit lang niet altijd het geval te zijn. Dit omdat er dikwijls met uitvoerende bureaus gewerkt wordt. Een dergelijke manier van werken heeft volgens bOb Van Reeth veel voordelen: “In het begin is het erg nuttig om met uitvoerende bureaus te werken omdat je dan nog niet op de hoogte bent van de regelgeving die er elders heerst. Hoewel we die zelf nu al wel voldoende onder de knie hebben, doen we nog regelmatig een beroep op lokale partijen. Zo niet wordt je gedwongen om je bureau fors uit te breiden en na de realisatie van een groot buitenlands project weer heel wat mensen af te danken. Bovendien wordt het ook gewaardeerd door de opdrachtgevers. Het komt er wel op aan om duidelijke afspraken te maken en alles goed in de hand te houden.”

Ook Zielonka is overtuigd van de noodzaak om met lokale partijen samen te werken, en meent zelfs dat je dit enkel op een goede en eerlijke manier kan doen door er een partnership mee aan te gaan. Dit omdat het de ontwikkeling van je bureau alleen maar ten goede kan komen: “Na verschillende projecten in partnership te hebben uitgevoerd, heb je zoveel 'lokale' ervaring op gedaan dat je qua kennis en expertise evenwaardig bent aan je partner. Je krijgt er voet aan grond, wat het begin van een sneeuwbaleffect kan zijn. Eens je ergens een partnership hebt, kan je er andere opbouwen en je netwerk verder uitbreiden. Het is in mijn ogen een fout om de lokale partij te beschouwen als een soort onderaannemer.”  

Prudent De Wispelaere en zijn (weinige) collega's bij Charles Vandenhove Architecture zijn echter niet zo happig op een samenwerking met lokale partners. “Wij opteren ervoor om alles zoveel mogelijk zelf te doen (ook lastenboeken, werfleiding, enz.). Via de technologie die er tegenwoordig voorhanden is, kan je vanop een afstand heel efficiënt werken. Wanneer men ons op basis van een eerdere realisatie vraagt om iets te bouwen van een zekere kwaliteit, gaan we ervan uit dat het niet de bedoeling is om het uit handen te geven aan partijen die niet dezelfde architecturale cultuur en perceptie hebben. Alles zelf doen is volgens ons de enige manier om diezelfde kwaliteit en specificiteit zoveel mogelijk te benaderen.”



bOb Van Reeth legt uit waarom hij het een goed idee vindt om samen te werken met lokale partijen.



bOb van Reeth scherp voor Nederlandse opdrachtgevers

Tijdens het debat trok bOb van Reeth, die met z'n bureau AWG al heel wat projecten uitvoerde bij onze noorderburen, stevig van leer tegen de Nederlandse visie op woning- en stedenbouw. De crisis dwingt de Nederlanders volgens hem tot een meer doordachte manier van bouwen, wat hen volgens Van Reeth in de toekomst alleen maar van pas kan komen. In dit artikel leest u er meer over.