Doorzoek volledige site
28 januari 2013 | TIM JANSSENS

Jaaroverzicht 2012: Wat met Belgische architectuur in het buitenland?

Naar aanleiding van de lancering van het boek ‘Belgian architecture beyond Belgium’ vond in maart een interessant panelgesprek plaats omtrent de status en het aanzien van Belgische architectuur in het buitenland. Ook de Bond van Vlaamse Architecten kaartte dit thema aan op zijn Architectencafé in het Leuvense M-museum. Bij wijze van terugblik op 2012 geven we u in dit artikel een overzicht van de meest opvallende uitspraken die we in het kader van deze boeiende debatten opvingen.
Naar aanleiding van de lancering van het boek ‘Belgian architecture beyond Belgium’ vond in maart een interessant panelgesprek plaats omtrent de status en het aanzien van Belgische architectuur in het buitenland. Ook de Bond van Vlaamse Architecten kaartte dit thema aan op zijn Architectencafé in het Leuvense M-museum. Het leverde in beide gevallen boeiende gesprekken op, die met veel plezier werden bijgewoond door Architectura. Bij wijze van terugblik op 2012 geven we u in dit artikel een overzicht van de meest opvallende uitspraken die we in het kader van deze boeiende debatten opvingen.


Architectuur en couleur locale

- “Vroeger verwachtte men in het buitenland veel van de ‘stars’, bekende namen die een nieuwe architectuur introduceerden die soms helemaal niets te maken had met de lokale cultuur. Ik ben echter van mening dat het ontleden van de verschillende culturen op en rond een bepaalde bouwlocatie een belangrijke voorwaarde is om aan architectuur te doen. Enkel de symbiose van verschillende culturen kan tot een nieuwe vorm van architectuur leiden.” (Hendrik Vermoortel, BURO II & ARCHI+I)

- “Of je nu in Parijs, Straatsburg, Toulouse of Bordeaux werkt: je hebt altijd tijd nodig om aan te voelen wat ze er precies van jou verlangen. Je moet je een beetje kunnen aanpassen, en net die eigenschap is de sterkte van Belgische architecten. We realiseren ons makkelijker dan andere architecten dat we in het buitenland actief zijn om een bepaalde cultuur te uiten en dat we eigenlijk ‘vertalers’ zijn. Onze toegevoegde waarde is dat we begrijpen hoe we de ambitie van de bouwheer kunnen vertalen in een bepaalde architectuur. “ (Luc Deleuze, Art & Build)

- “Architectuur kan je volgens mij enkel begrijpen vanuit een cultuur, dus het komt erop aan om niet enkel het gebouw, maar ook de omringende cultuur uit te leggen, te tonen en te exporteren. Het naar buiten brengen van een programma heeft enkel zin als je het dan ook ‘ruimer’ communiceert.” (Freek Persyn, 51N4E)



Luc Deleuze (Art & Build), Luc Reyn (Crepain Binst Architecture) en Hendrik Vermoortel (BURO II & ARCHI+I).




Samenwerking met lokale partijen

- “We zullen nooit in een project stappen waarbij de buitenlandse partner niet betrokken is bij het ontwerp. Zelf een ontwerp maken en het in het buitenland laten uitvoeren, is volgens ons zinloos.” (Hendrik Vermoortel, BURO II & ARCHI+I)

- “Zeker in het begin is het erg nuttig om met uitvoerende bureaus te werken omdat je dan nog niet op de hoogte bent van de regelgeving die er elders heerst. Hoewel we die zelf nu al wel voldoende onder de knie hebben, doen we nog regelmatig een beroep op lokale partijen. Zo niet wordt je gedwongen om je bureau fors uit te breiden en na de realisatie van een groot buitenlands project weer heel wat mensen af te danken.” (bOb Van Reeth, AWG)

- “Ik vind het een noodzaak om samen te werken met lokale partijen, maar dan wel in de vorm van een ‘partnership’. Het is in mijn ogen een fout om de lokale partij te beschouwen als een soort onderaannemer. Na verschillende projecten in partnership te hebben uitgevoerd, heb je immers zoveel 'lokale' ervaring op gedaan dat je qua kennis en expertise evenwaardig bent aan je partner. Je krijgt er voet aan grond, wat het begin van een sneeuwbaleffect kan zijn.” (Isidore Zielonka, Art&Build)

- “Wij opteren ervoor om alles zoveel mogelijk zelf te doen (ook lastenboeken, werfleiding, enz.) Wanneer men ons op basis van een eerdere realisatie vraagt om iets te bouwen van een zekere kwaliteit, gaan we ervan uit dat het niet de bedoeling is om het uit handen te geven aan partijen die niet dezelfde architecturale cultuur en perceptie hebben. Alles zelf doen is volgens ons de enige manier om diezelfde kwaliteit en specificiteit zoveel mogelijk te benaderen.” (Prudent De Wispelaere, Charles Vandenhove Architecture)



Het EFSA-gebouw in Parma van Art & Build.



België-Nederland

- “In Nederland liggen de plattegronden al vast: de ontwikkelaars bepalen hoe de woning ingedeeld is. Als architect heb je daar vooral de taak om een interessante compositie (waarbij het gaat om een bepaalde manier van samenwonen) en een gevel te ontwerpen. Je hebt er niet – zoals in Vlaanderen het geval is – de vrijheid om een gebouw te ontwerpen op basis van de behoeften van de uiteindelijke gebruikers. Je bent dus voor een groot deel afhankelijk van de kwaliteit en de ruimdenkendheid van de ontwikkelaar waarvoor je werkt. In Vlaanderen zien we die ontwikkelaars nu ook opkomen. We worden meer en meer toerist op eigen werf, wat onze kwaliteiten als ‘allround-architect’ een stuk beperkt.” (Luc Reyn, Crepain Binst Architecture)

- “Wij zijn het gewoon om te ontwerpen voor mensen die ook gaan wonen in de projecten die wij gaan bouwen. Dat is niet zo voor de grote Nederlandse projectontwikkelaars. Hoe het is om in die projecten te wonen, is niet zo belangrijk voor hen. Als het maar verkoopt. Omdat wij Belgen gewoon zijn om te werken voor individuele opdrachtgevers, zijn we betere luisteraars en zullen we in veel gevallen betere woonprojecten afleveren dan onze Nederlandse collega’s.” (bOb Van Reeth, AWG)

- “Wij Belgen bereiden projecten voor vanuit een 'bouwfilosofie', terwijl je in Nederland toch veel meer met echte projectarchitecten te maken krijgt die zich amper vragen stellen over de praktische uitvoerbaarheid van hun ontwerpen. Over het algemeen zijn we als ‘allround-architecten’ sterker gevormd.” (Luc Reyn, Crepain Binst Architecture)

- “In Nederland bouwt men tekeningen, in België bouwt men constructies. Nederlandse architecten laten het aan de aannemers over om hun ideeën uit te voeren, terwijl wij Belgische architecten toch iets meer betrokken zijn bij de uitvoerende fase van het project. Als een Nederlander een masterplan maakt, eindigt het dikwijls in projectontwikkeling in plaats van stadsontwikkeling. Men plaatst objecten naast elkaar en zegt dan dat dat stedenbouw is. Dat is bij ons toch heel anders.” (bOb Van Reeth)



Awg is vooral actief in Nederland. Het puntgebouw op het Amsterdamse Westerdokseiland is een van z'n meest opvallende realisaties.



De weg naar het buitenland

- “Franse architecten komen goed aan de bak in het buitenland. Dit komt omdat ze van de Franse regering subsidies krijgen om aan wedstrijden mee te doen. In Frankrijk beseft men maar al te goed dat architecten een economische voorhoede zijn. Wanneer ze een buitenlands project moeten realiseren, doen ze immers dikwijls een beroep op Franse studiebureaus en aannemers. De Belgische regering zou moeten inzien dat wij architecten met onze buitenlandse activiteiten – mits een goede ondersteuning – een grote invloed kunnen hebben op de binnenlandse economie. (Luc Deleuze, Art & Build)

- “In plaats van voortdurend te proberen om elkaar de loef af te steken, zouden Belgische bureaus beter synergieën aangaan en samenwerken om competities te kunnen winnen en mooie projecten in het buitenland te kunnen realiseren.” (Hendrik Vermoortel, BURO II & ARCHI+I)

- “De Open Oproep zet België op de architectuurkaart. Het lokt buitenlanders naar hier en laat ze kennismaken met onze architectuurbeleving, wat de cultuur van Vlaanderen op zich ook heeft veranderd. De export van Belgische architectuur is een dynamiek die volgens mij in twee richtingen werkt. Buitenlandse invloeden zijn per definitie een verrijking omdat de dingen dan eindelijk losgetrokken kunnen worden uit hun vast kader. Een systeem als de Open Oproep kan dit broodnodige proces stimuleren.” (Freek Persyn, 51N4E)



Van links naar rechts: Prudent De Wispelaere, Isidore Zielonka, Freek Persyn en bOb Van Reeth.




Kwaliteit van Belgische architecten

- “Buitenlandse opdrachtgevers blijken het op prijs te stellen dat we echt naar hen luisteren, meer dan andere architecten. Ze vinden het fijn dat wij wel de tijd nemen om te leren begrijpen wat ze eigenlijk willen. In Frankrijk tekenen architecten een ontwerp en laten ze het uitvoerende gedeelte volledig aan de bouwheer over, terwijl Belgische architecten meestal ook gedurende de uitvoeringsfase betrokken blijven. We zijn het gewoon om projecten echt te 'leiden', en dat wordt toch als een groot pluspunt aanzien.” (Luc Deleuze, Art & Build)

- “De klantgerichte aanpak die de meeste Belgische architecten hanteren, wordt enorm geapprecieerd. In plaats van wild te gaan experimenteren, halen wij juist voldoening uit het efficiënt ingaan op de wensen van onze opdrachtgever.” (Luc Reyn, Crepain Binst Architecture)

- “Belgische architecten zijn in staat om zowel de technische en constructieve als de culturele component te vatten in één ontwerp, terwijl je ziet dat dit bij veel buitenlandse gebouwen 'naast elkaar staat' en dat de architecten deze zaken niet hebben weten te combineren. Als Belgen beheersen wij ook wel die 'emotionele' component. Architectuur is de spiegel van een plaats, van een beeld, van een cultuur, en ons grote voordeel is dat wij die specificiteit steeds trachten te begrijpen en te doorgronden.” (Hendrik Vermoortel, BURO II & ARCHI+I)



51N4E realiseerde onder andere de spectaculaire TID-woontoren in Tirana.



Een volledig verslag van het panelgesprek naar aanleiding van de lancering van ‘Belgian architecture beyond Belgium’ vindt u hier.
Een volledig verslag van het panelgesprek op het Architectencafé van de BVA in Leuven vindt u hier.