Doorzoek volledige site
29 september 2020

TECHNISCHE INFO. EPB: de waarden bij ontstentenis zijn niet langer voldoende!

Structurele beschaduwing kan helpen om oververhitting tegen te gaan. Illustratie | CSTC - WTCB - BBRI

In een EPB-berekening kunnen sommige parameters op verschillende manieren bepaald worden: meting, gedetailleerde berekening, vereenvoudigde berekening of waarde bij ontstentenis. Om aan de huidige EPB-eisen te kunnen voldoen en de prestaties en de uitgevoerde werkzaamheden beter te kunnen valoriseren, moet het gebruik van waarden bij ontstentenis echter zo veel mogelijk beperkt worden. Het is bijgevolg aangeraden om ze enkel voor te behouden voor situaties waarin de gevraagde informatie niet beschikbaar is. Lees er meer over in dit artikel uit WTCB-Contact

Hoewel een meting en een gedetailleerde berekening over het algemeen toelaten om de werkelijkheid zeer dicht te benaderen, vergen ze meer werk van het bouwteam. Een vereenvoudigde methode is dan weer gemakkelijker toe te passen, maar zal minder nauwkeurige berekende prestaties opleveren, omdat de gebruikte informatie van lagere kwaliteit is.

In wat volgt illustreren we de verschillende aangehaalde bepalingsmethoden aan de hand van enkele voorbeelden.
 

Luchtdichtheid

Voor de EPB-berekening kan men zich baseren op de gemeten luchtdichtheidswaarde of kan men gebruikmaken van een waarde bij ontstentenis. In de eerste jaren na de invoering van de EPB-regelgeving waren de eisen niet al te streng. Zo hoefde men de luchtdichtheid niet per se te meten om aan de eisen te voldoen. Dit leidde ertoe dat er anno 2006 in Vlaanderen in slechts 3 % van de EPB-aangiften voor nieuwe woningen een gemeten luchtdichtheidswaarde in aanmerking genomen werd. Door de verstrenging van de eisen groeide echter ook de noodzaak om luchtdichte gebouwen op te trekken en om de luchtdichtheid aan te tonen door het bekomen resultaat te meten. Bijgevolg is het aantal EPB-aangiften waarbij gebruikgemaakt wordt van de gemeten waarde anno 2016 gestegen tot zo’n 85 %.
 

Het elektriciteitsverbruik van ventilatoren

Om het elektriciteitsverbruik van ventilatoren te beperken, moet men een kwaliteitsvol ventilatiesysteem uitvoeren. Dat wil zeggen dat men een kanalennetwerk moet ontwerpen dat zo weinig mogelijk drukverliezen met zich meebrengt, en dat men moet opteren voor een ventilatiegroep die aan dit netwerk aangepast is. Deze inspanningen moeten evenwel in de EPB-berekening gevaloriseerd kunnen worden.

Men kan drie methoden toepassen. Methode 3 is gebaseerd op een in-situmeting van het vermogen in een representatief werkingspunt. Methode 2 maakt gebruik van een productgegeven, meer bepaald het geïnstalleerde vermogen. Methode 1 vereist geen metingen of productgegevens en kan dus beschouwd worden als een methode die gelijkwaardig is aan het gebruik van een waarde bij ontstentenis.

Vroeger werd meestal methode 1 gebruikt, omdat ze vaak een lager verbruik voorzag dan de methoden 2 en 3. Deze methode druiste dus in tegen het in het kader op de vorige pagina vermelde basisprincipe, namelijk dat een waarde bij ontstentenis een ‘veilige’ waarde is. Dit werd in 2019 rechtgezet. Aangezien deze wijziging een aanzienlijke impact heeft, is het ten stelligste aangeraden om een van de twee andere beschikbare methoden te gebruiken (zie ook de WTCB-Dossiers 2017/2.11, de TV 258 en de OPTIVENT-rekentool).

 

Oververhitting

De gewestelijke EPB-regelgevingen bevatten ook een eis met betrekking tot het risico op oververhitting. Dit risico kan beperkt worden door een intensieve ventilatie te voorzien en/of de zonnewinsten te beheersen.

Om te komen tot een efficiënte intensieve ventilatie, moet men over voldoende grote openingen beschikken, die over verschillende gevels en/of verdiepingen verspreid worden. Deze openingen mogen echter niet leiden tot een verhoogd inbraakrisico. In dit geval is er geen waarde bij ontstentenis beschikbaar: de situatie moet beschreven worden zoals ze is. De methode werd in 2018 gewijzigd in het Vlaamse Gewest en in 2019 in de andere Gewesten.

Een vermindering van de zonnewinsten kan in de eerste plaats bekomen worden door een aantal architecturale keuzes, zoals de grootte van de vensters of de structurele beschaduwing (zie nevenstaande afbeelding), en in de tweede plaats door het gebruik van zonneweringen.

Het is doorgaans niet zo moeilijk om de werkelijke beschaduwing te bepalen, die – naargelang van de situatie – een aanzienlijke impact kan hebben op het oververhittingsrisico. Dit is dan ook het eerste wat men moet doen als de EPBberekening een dergelijk risico voorspelt.

Voor zonneweringen die evenwijdig zijn aan de beglazing is het in de regel vrij eenvoudig om de werkelijke gegevens te gebruiken, temeer wanneer het om doeken gaat die opgenomen zijn in de aan de EPB-software gekoppelde databank www.epbd.be. Zoals in de WTCB-Dossiers 2010/4.16 aangetoond wordt, leiden de werkelijke gegevens over het algemeen tot gunstigere waarden dan de waarde bij ontstentenis.

 

Besluit

De EPB-eisen worden alsmaar strenger. Dit impliceert voornamelijk dat de gebouwen goed ontworpen moeten worden, de uit te voeren materialen en systemen zorgvuldig gekozen moeten worden en de bouwwerken nauwkeurig opgetrokken moeten worden. Dit betekent eveneens dat de geleverde inspanningen en de aangegane kosten zo goed mogelijk gevaloriseerd moeten worden in de EPBberekening. Bijgevolg zouden de waarden bij ontstentenis enkel nog gebruikt mogen worden wanneer de gezochte informatie niet beschikbaar is.

 

Bron: WTCB-Contact 2019/3, p. 6-7

GERELATEERDE DOSSIERS