Doorzoek volledige site
27 oktober 2020

TECHNISCHE INFO. Tabelwaarden voor de bepaling van de brandweerstand van metselwerk

Illustratie | CSTC - WTCB - BBRI
Illustratie | CSTC - WTCB - BBRI

Metselwerk wordt in de praktijk veelal als brandwerend beschouwd. Maar tot welke brandweerstandsklasse behoort het dan precies? Bepaalde fabrikanten vermelden deze klasse in hun technische fiches. Men kan ook gebruikmaken van de tabelwaarden uit de norm NBN EN 1996-1-2 (Eurocode 6) en haar recent herziene nationale bijlage om deze klasse te bepalen. Lees er meer over in dit WTCB-artikel

De brandweerstand van metselwerk kan bepaald worden aan de hand van:
• de vereenvoudigde of geavanceerde berekeningsmethode uit de norm NBN EN 1996-1-2 (Eurocode 6)
• een beproeving volgens de geldende Europese normen
• de tabelwaarden uit bijlage B van de norm NBN EN 1996- 1-2 en haar nationale bijlage (*).
 

Tabelwaarden

De tabellen uit de norm NBN EN 1996-1-2 en haar nationale bijlage zijn gebaseerd op empirische gegevens of op proefresultaten en geven de minimale nominale diktes van het metselwerk weer die vereist zijn om een bepaalde brandweerstand te bereiken. Deze minimale dikte is afhankelijk van:
• het type wand (dragend en/of scheidend)
• het type metselsteen
• de metselsteengroep (richting en percentage van de perforaties)
• de volumieke massa van de stenen £
• het type mortel
• het feit of de wand al dan niet bepleisterd is
• het belastingniveau (bij dragende wanden).

De tabel hierboven (zie foto's bovenaan dit artikel) geeft voor de metselstenen van groep 1 en 2 (zie definities in bijlage B van de TV 271) een overzicht van de minimale diktes waaraan niet-dragend metselwerk moet voldoen om een bepaalde brandweerstand te bereiken.
 

Gebruiksvoorwaarden

De waarden uit de tabel mogen uitsluitend gebruikt worden als de betreffende wand – naargelang van zijn type en functie – aan de normen NBN EN 1996-1-1, NBN EN 1996-2 en NBN EN 1996-3 voldoet.

Bij de uitvoering van het metselwerk kan men gebruikmaken van een mortel voor algemene toepassingen (type G) of een mortel voor dunne voegen (type T).

De in de tabel vermelde waarden voor een ‘opgevoegde, niet-bepleisterde’ afwerking van het metselwerk zijn van toepassing wanneer de stootvoeg volledig opgevuld is. Volgens de norm NBN EN 845-3 mag er eventueel een lintvoegwapening toegevoegd worden. Deze waarden mogen eveneens gebruikt worden voor:
niet-opgevoegde dunne stootvoegen van hoogstens 2 mm breed
• niet-opgevoegde stootvoegen waarvan de breedte begrepen is tussen 2 en 5 mm, voor zover er langs minstens één zijde van de wand een pleisterlaag met een minimale dikte van 1 mm aangebracht is
• niet-opgevoegde stootvoegen van minder dan 5 mm breed, als het metselwerk opgebouwd is uit stenen met tand en groef.

Bij gebruik van de waarden voor bepleisterde wanden moet de bepleistering minstens 10 mm dik zijn en aan weerszijden van de wand aangebracht worden. Bij gebrek aan proefresultaten komen cementgebonden bepleisteringen momenteel niet aan bod in de Eurocode 6.

Tot slot willen we er nog op wijzen dat de brandweerstand van metselwerk nadelig beïnvloed kan worden door de onvermijdelijke doorvoeringen van bijvoorbeeld leidingen en luchtkanalen en door andere verzwakkingen, zoals stopcontacten. In deze gevallen zal men een specifieke brandwerende afdichting moeten voorzien. Voor meer informatie hieromtrent verwijzen we naar de TV 254.

Bron: WTCB/Contact 2020/5, p.10-11.

 

GERELATEERDE DOSSIERS