Doorzoek volledige site
02 november 2020 | FILIP CANFYN

Steen & Been: Camp

Cover magazine 'Wilfried'

Onze huiscolumnist Filip Canfyn hekelt al eens het sofisme dat slechte architectuur niet bestaat omdat slechte architectuur eigenlijk geen architectuur mag genoemd worden. Ondertussen moeten we dagelijks kijken naar proeven van wansmaak en -orde, die ook door architecten getekend werden, omdat in ons land nu eenmaal niets mag gebouwd worden zónder architect. En toch kan die chaos charmant worden …

Als alleslezer en uit respect voor het lef om in deze digitale en duistere tijden nog met gedrukte tekst op de markt te komen koop ik het nieuwe blad ‘Wilfried’, dat zichzelf aanprijst als een tijdschrift, dat leest als een roman. Geen woord gelogen. Ik verslind met stijgend plezier elke pagina. Wat ‘Bahamontes’ betekent voor de sportjournalistiek kan ‘Wilfried’ worden voor de chroniquerie van de Belgische samenleving.

De foto op de kaft maakt al een punt. Michel Hendryckx, ook al zo’n rasverteller, toont dat iconische beeld van een schijnbaar met een vlijmscherp mes afgesneden fermette, waarvan de wachtgevel hologig staart naar het omringende platteland. Dit doet me trouwens denken aan Herman Van den Boom (zie ‘Chinees voor de Chinezen’, 19.12.2018), die het onvolprezen boek ‘Neighbours’ maakte over onmogelijke koppelwoningen maar al even onmogelijk ‘wachtgevel’ in het Engels kon vertalen.

 

"We zijn inderdaad het koninkrijk van de camp, van de kitsch, van die versteende mengelmoes, die adjectieven als banaal, grotesk, onconformistisch, sentimenteel, simpel, egoïstisch, onlogisch, … probeert te binden tot een architecturaal statement."

 

Wat verder in ‘Wilfried’ staat een paragraaf over een man in Wetteren, die een vliegtuig op het dak van zijn bedrijf wil zetten. De gemeente weigert zijn bouwaanvraag maar hij trekt naar de rechtbank en wint. Sébastien Van Malleghem commentarieert: “Voor mij geeft een dergelijk debiel verhaal het Belgische leven goed weer, zowel maatschappelijk als politiek. We zijn een bastaardland met vage grenzen, maar binnen die grenzen heerst veel vrijheid, waaronder de vrijheid van de slechte smaak. Kijk maar naar de architectuur in het landschap: anarchistisch, absurd, mooi en afzichtelijk door elkaar. Maar wel allesbehalve treurig.” Dit doet me trouwens denken aan de Ugly Belgian Houses, eerst een boek, nu een TV-column op Eén, waarin de bewoners zich nietsvermoedend en complexloos fier gedragen.

We zijn inderdaad het koninkrijk van de camp, van de kitsch, van die versteende mengelmoes, die adjectieven als banaal, grotesk, onconformistisch, sentimenteel, simpel, egoïstisch, onlogisch, … probeert te binden tot een architecturaal statement. Hoewel. Elke verwijzing naar architectuur moet als een vloek klinken, zowel voor de gebruiker als voor de toeschouwer. Alleen de auteur van de bouwaanvraag terzake suggereert zoiets. Ik kijk daar meewarig naar, op de rand van tristesse, zelfs wanhoop, maar op een betere dag kan er een gniffel van af, die mijn schouders doet ophalen en de term ‘charme’ tussen mijn lippen steekt. Tot ik mijn  pelgrimstocht door dit wondere land verderzet. Samen met ‘Wilfried’.