Doorzoek volledige site
24 november 2020 | FILIP CANFYN

Steen & Been: Burgemeesterstoren

Illustratie | ION

Onze huiscolumnist Filip Canfyn neemt de vrijheid om naar aanleiding van de verkoop en herontwikkeling van de Boerentoren in Antwerpen te putten uit zijn nog onuitgegeven boek ‘Van koekendozen naar Boerentoren’. Hierin vertelt hij over het leven en werk van Jan Robert Vanhoenacker, de opportunistische architect van de pre-Huts Tower. Deze week wordt ingezet met ‘Burgemeesterstoren’, volgende week wordt afgesloten met ‘Torengeboorte’.

De Eerste Wereldoorlog houdt lelijk huis in Antwerpen. Zo wordt in 1914 een volledig bouwblok, tussen de Schoen- en de Eiermarkt (vlakbij de Groenplaats en de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal, dus pal in het historische centrum), weggeveegd door Duitse bommen tijdens de slag om de fortengordel. Na de oorlog ontstaat, naar aanleiding van een architectuurwedstrijd, een discussie over de herinvulling van die en andere lege plekken. Twee groepen mengen zich in het debat, twee groepen, die gemakshalve de conservatieven en de progressieven kunnen genoemd worden. De hamvraag is dubbel: moet de oude stad heropgebouwd worden als een kopie van het vroegere, als een eerbetoon aan het kapotgeschoten verleden, of moet een nieuwe stad geconstrueerd worden als een kind van zijn tijd, als een symbool voor de oorlogwissende toekomst? De conservatieven opteren voor de veilige weg van het traditionalisme en het eclectisme, en voelen zich hierin gesteund door een overheid, die ook een voorliefde heeft voor bekende paden. De progressieven willen dan weer verder evolueren binnen het nieuwe ontwerpuniversum van de art deco en het modernisme, een modernisme, dat ook internationaal hoge ogen begint te gooien en snel toegang vindt tot de kringen van verlichte geesten in (bepaalde) grote bedrijven en sociale huisvestingsmaatschappijen, die blijkbaar progressief denken in die tijd. In Antwerpen worden de conservatieven vooral gek bij het idee dat een hedendaags gebouw de concurrentie met de Onze-Lieve-Vrouw-toren zou aangaan. De progressieven vinden dat een nieuw icoon wél kan en zelfs moét om aan de buitenwereld te tonen hoe welstellend en modern de metropool is. Alle wedstrijdontwerpen van 1919 voor de heropbouw van het bouwblok Schoen-Eiermarkt worden tenslotte verticaal geklasseerd.

Midden de jaren twintig hakt het Antwerpse stadsbestuur de knoop toch door: er wordt uitgebazuind dat de belangrijkste winkelstraat, de Meir, een waardig sluitstuk moet krijgen en dat de stad tegen de Wereldtentoonstelling van 1930 een prestigieuze publiekstrekker moet tellen.
Het is burgemeester Frans Van Cauwelaert, die de hoofdrol in dit stuk stedelijk theater opeist. Hij droomt luidop van een stempel van deze tijd, iets groots en modern “zonder het uitzicht van de omgeving in gevaar te brengen”. Die burgemeester is trouwens een monument op zich, met een meer dan welgevuld leven.

Frans Van Cauwelaert (1880-1961) blijkt, om te beginnen, een uitmuntende studax én politicus. Hij trekt naar de Katholieke Universiteit in Leuven en studeert tot 1913 achtereenvolgens (telkens met succes) natuurwetenschappen, geneeskunde, wijsbegeerte en rechten. Als tussendoortje pakt hij nog experimentele en pedagogische psychologie mee in Leipzig en Munchen, terwijl hij tussen 1907 en 1910 buitengewoon hoogleraar in dat vakgebied wordt aan de Universiteit van Freiburg. In Antwerpen wordt hij in 1910 als student verkozen tot kamerlid van de Katholieke Partij. Hij zetelt in het parlement tot aan zijn dood in 1961, meer dan vijftig jaar lang dus. In 1921 wordt hij ook gemeenteraadslid in Antwerpen, wat een opstapje wordt voor het burgemeesterschap in hetzelfde jaar. Hij sluit een coalitie met de socialisten en dit rooms-rode verbond maakt de liberalen, die tot dan al vijftig jaar aan de macht zijn in Antwerpen, nog blauwer van nijd. Hij blijft de eerste burger van Antwerpen tot in 1932 en wordt opgevolgd door de illustere socialist Camille Huysmans, die ook een mensenleven lang een zetel in de Kamer bezet.

Van Cauwelaert wordt minister begin 1934 maar moet één jaar later, wegens een financieel schandaal, ontslag nemen en enige tijd achter de schermen verdwijnen. In 1939 komt hij glorieus terug en neemt hij zijn laatste politieke ambt op: hij wordt Kamervoorzitter tot 1954 (op de oorlogsjaren na). De jonge Boudewijn mag bij hem nog de eed als nieuwe koning afleggen. Als eerste burger van het land wordt Van Cauwelaert opgevolgd door weeral Camille Huysmans.

 

Ook businessgewijs is de studax-politicus hoogbegaafd.
Hij start, samen met Alfons Van de Perre en Arnold Hendrix, de krant De Standaard in mei 1914. De oorlog stelt het verschijnen van het eerste nummer, voorzien voor 14 november 1914, uit tot 4 december 1918. Van Cauwelaert houdt de redactionele lijn van deze Vlaamse katholieke krant in de gaten tot in 1922. (Zijn associé Van de Perre heeft Marnix Gijsen als privé-secretaris. Deze schrijver alias Jan-Albert Goris wordt in volle Boerentorentijd, tussen 1928 en 1932, de kabinetchef van Van Cauwelaert.)
Met zijn broer runt de burgemeester vanaf 1921 ook een advocatenkantoor en hij netwerkt zich de zakenwereld in. Het bezig baasje heeft al snel elke vinger ergens in de pap. Zo zit hij, als koppelaar van investeerders en financiële groepen, mee aan de tafel, waarop de Volksbank van Leuven op 7 mei 1921 de stichtingspapieren van de Algemeene Bankvereeniging tekent. En laat nu die Algemeene Bankvereeniging een sterke rol spelen in het Boerentorenverhaal op het moment dat een burgemeester droomt van prestige en grandeur voor zijn geliefde stad. Immers, in 1928 (Van Cauwelaert is al zeven jaar burgervader) meldt zich bij het Antwerpse stadsbestuur een groot bedrijf aan, gewapend met de ambitie om zich als economische macht te profileren. Het heeft centen zat én een concreet voorstel. Het betreft inderdaad de Algemeene Bankvereeniging, die de Boerenleenbank alias de Boerenbond als hoofdaandeelhouder heeft en die de grond van de Schoen- en Eiermarkt wil kopen voor wat later de spotnaam ‘Boerentoren’ van de Sinjoren zal krijgen.

De bank koopt de grond, een lap van 2.125 m² groot, voor 7,2 miljoen oude Belgische franken op 7 augustus 1928. 85 Euro per vierkante meter moet in die tijd als een torenhoog bedrag begrepen worden.
In het bestek, dat de verkoopprocedure juridisch begeleidt, staat een dikke tweetalige boterham met alle eisen, waaraan voldaan moet worden.

Verplichting tot bouwen.

De kooper is verplicht onmiddellijk op den te koop gestelden grond een monumentaal gebouw in den modernen bouwtrant op te richten dat in zijne groote lijnen, onder esthetisch opzicht zal opgevat worden volgens de aanduidingen van de schemas nummer een en twee die aan deze zullen gehecht worden na erkentenis en waarmerking.
Alvorens de bouwwerken te beginnen zal de kooper aan de Stad (…) het plan (…) van de voor- zij- en achtergevels (…) moeten onderwerpen en door genoemde Stad onder schoonheidsoogpunt doen goedkeuren.
(…) De Stad verkoopster behoudt zich het recht voor aan de voorgelegde plans zulke wijzigingen toe te brengen als zij nuttig of noodzakelijk zou achten zelfs tijdens de uitvoering der werken en de kooper zal zich naar hare desbetreffende beslissingen moeten gedragen.
(…) Het gelijkvloers van het op te richten gebouw langsheen de Schoenmarkt en de Eiermarkt moet uitsluitend tot winkels ingericht en als dusdanig geëxploiteerd worden.

Het contract omvat dus niet alleen de wens van de burgemeester voor monumentaliteit maar ook de voorwaarde dat de verkoop maar definitief doorgaat als de Stad de gevelplannen goedgekeurd heeft. Er wordt zelfs verwezen naar twee schema’s. Deze eerste schetsontwerpen zijn officieel gemaakt door stadshoofdbouwmeester Emiel Van Averbeke en worden goedgekeurd door het schepencollege op 29 juni 1928, dus een dikke maand voor de aankoop van de grond. Sommigen insinueren dat die schetsen al veel langer bestaan en dat burgemeester Van Cauwelaert, die in 1921 nog geen burgemeester is als hij helpt bij de stichting van de Algemeene Bankvereeniging, ze gebruikt heeft om een ‘bevriende kapitaalkrachtige groep’ aan boord te hijsen, die het inderdaad monumentale gebouw, dat hijzelf gedroomd heeft, voor hem wil uitvoeren. Dat daarom een loopje moet genomen worden met normale aanbestedingsregels om de koopprijs laag te houden en met de eerlijke transparantie om de concurrentie uit te schakelen, daar kan de burgervader blijkbaar mee leven. 
Anderen suggereren dat Jan Robert Vanhoenacker, die door de Algemeene Bankvereeniging aangezocht zal worden om als architect op te treden, die schetsen van Van Averbeke alleen maar verder uitgewerkt heeft en dat de Stad zijn hoofdbouwmeester als een architecturale schoonmoeder in het team van Vanhoenacker laat opnemen om de basisconcepten nauwgezet te bewaken.
Zeker is dat Van Averbeke in 1927 en 1928 schetsen voor een hoogbouw maakt, dat Vanhoenacker in 1928 deze schetsen verfijnt en dat de zogenaamde schema’s van de hand van één van beiden bij de akte gevoegd worden.

De verkoopoperatie zelf tussen de Stad en de Algemeene Bankvereeniging loopt ook niet van een leien dakje. De gemeenteraad moet immers nog zijn fiat voor de overeenkomst van 7 augustus geven.
Op 27 augustus om 17 uur komt de gemeenteraad samen. De liberale oppositie hekelt de doorgestoken kaart. Andere kandidaten voor de grond zouden met procedurele kneepjes aan de kant gezet zijn. Ook wordt geprotesteerd tegen het bouwen van een wolkenkrabber op die plaats, omdat Linkeroever meer geschikt is voor de inplanting van zo’n hoog geval. De burgemeester ruikt onraad en vreest dat hij bij een stemming wel eens het onderspit zou kunnen delven. Hij schorst de vergadering.
Pas de volgende morgen wordt het debat verder gezet. Eigenlijk wordt er niet veel meer gediscussieerd (Van Cauwelaert schenkt dit keer blijkbaar zuiverdere koffie) en 22 gemeenteraadsleden stemmen voor, 13 stemmen tegen. Het torengebouw kan uitgevoerd worden.

GERELATEERDE DOSSIERS

GERELATEERDE ARTIKELS