Doorzoek volledige site
03 december 2020 | FILIP CANFYN

Steen & Been: Torengeboorte

Illustratie | ION

Onze huiscolumnist Filip Canfyn neemt voor de tweede keer de vrijheid om naar aanleiding van de verkoop en herontwikkeling van de Boerentoren in Antwerpen te putten uit zijn nog onuitgegeven boek ‘Van koekendozen naar Boerentoren’. Hierin vertelt hij over het leven en werk van Jan Robert Vanhoenacker, de opportunistische architect van de pre-Huts Tower. Na  ‘Burgemeesterstoren’ van vorige week wordt afgesloten met ‘Torengeboorte’.

Het feitelijke ontwerp van de Boerentoren wordt toegeschreven aan Jan Robert Vanhoenacker en die haalt zijn inspiratie in het verre Amerika. In 1922 organiseert de krant Chicago Tribune een legendarisch geworden ontwerpwedstrijd voor haar nieuwe hoofdzetel, in casu, een wolkenkrabber van 120 m hoog, een opgave, die sinds 1880 structureel mogelijk gemaakt wordt door de uitvinding van het staalskelet, de lift en adequate funderingstechnieken. Tweehonderdvijftig Amerikaanse en Europese architecten (inclusief grote namen als Saarinen, Gropius en Loos) doen mee en Howells & Hoods worden tot winnaar uitgeroepen.
Veel belangrijker dan de uitslag is het gevolg van deze wedstrijd: het wolkenkrabberconcept raakt over de aardbol verspreid, hoewel veel pragmatici vinden dat deze verticale bouwwijze buiten Amerika eigenlijk weinig relevant is. Nog belangrijker is het gevolg voor Antwerpen: Vanhoenacker neemt ook deel aan de wedstrijd, brengt een bezoek aan de Verenigde Staten en komt enthousiast terug. Hij droomt ervan de architect van de eerste wolkenkrabber in Europa te worden.

Hij krijgt alvast de Boerentorenopdracht van de Algemeene Bankveereeniging en vormt een team met vennoot Jos Smolderen, die voor de gevelarchitectuur en de binneninrichting zal tekenen, en met stadsarchitect Emiel Van Averbeke, die namens de Stad moet controleren. De eerste ontwerpen worden verwerkt in een grote maquette, die in juli 1928 (een maand voor de feitelijke verkoop van de grond) in de Stadsfeestzaal aan burgemeester, schepenen en gemeenteraadsleden, aan het kritische Antwerpse publiek en aan de verzamelde pers getoond wordt.
De Sinjoor kan moeilijk wennen aan een wolkenkrabber in een oude stad, zoveel is duidelijk, en ook de kranten houden het hoofd niet helemaal koel. Partijpolitieke motieven nemen zelfs de overhand op architecturale bedenkingen. Vooral de liberale kranten trekken van leer tegen de plannen van de rooms-rode bestuurders en zeker tegen de vermeende belangenvermenging van zakenman-burgemeester Van Cauwelaert.

De Antwerpse blauwe Le Matin spreekt, in verband met de toewijzing van de gronden, van “une scandaleuse opération” en “une séance houleuse” (8 juli 1928). De Brusselse liberale L’étoile Belge heeft het dezelfde dag over “Un véritable scandale. Où on voit le collège échevinal d’Anvers se moquer des Anversois. La vente des terrains du Marché aux Souliers ne fut qu’une comédie.”
Een maand later bloklettert de Antwerpse liberale De Nieuwe Gazet: “Het schandaal voltrokken. Antwerpen in handen van de Boeren-Soviët. De Esthetiek, opgeofferd aan de Financie.” (29 augustus 1928). Le Matin laat in dezelfde periode een aantal lokale culturele VIP’s (de directeur van de Academie, de conservator van het Plantin-Moretus-museum, …) hun mening spuien en zij blijken niet echt weg te zijn van een wolkenkrabber in het historische stadshart.
De katholieke Gazet van Antwerpen krijgt het op de heupen dat de blauwe pers zich zo fixeert op de Boerenbond als bouwheer en zo denigrerend doet over de bewoners van het platteland in de strijd tegen de toren en de burgemeester. De krant gaat op 30 augustus 1928 in de tegenaanval met een stuk onder de titel “Boers geschenk”.

De menschen van te lande worden door de plaatselijke liberale pers met oogen bezien gelijk pistolen. Het woordje ‘Boerenbond’ doet ze eene geraaktheid krijgen, en als het zoo voortgaan moet zullen de blauwe opstellers zelfs het brood en de patatten boycotteeren, omdat zij door die afschuwelijke lummels worden voortgebracht.
De boeren betuigen nochtans den besten wil. Zij komen met het allerlaatste modern afgedragen: een wolkenkrabber in cubisten stijl. Maar het is genoeg dat dit geschenk van den boer komt om al de liberale scribenten in ultra-conservateurs te herscheppen.
Vroeger waren het de liberalen die beweerden den toon te geven van het nieuwe, het prachtige, het kolossale. Thans schijnen zij er zoo bang voor als een begijntje, vroeger voor den avapeur.
Ware die krabber door de liberalen ontworpen geworden en hadden er de kadodders den neus voor opgetrokken, ’t is dan dat ge zoudt hooren tambouren hebben op den liberale trommel. “Wat”, zou men ons voor de voeten geworpen hebben, “gij achteruitkrabbers durft tegen de wolkenkrabbers opkomen, tegen de practische manier den woningnood meester te worden. Gij wilt België en Antwerpen de eer ontgunnen de eersten te zijn om zich te Amerikanizeeren, om dingen te laten kijken waartoe men tot den dag van heden den Atlantischen Oceaan moet dweerschen om ze te zien?” Onze wolkenkrabber zal krabben en blijven krabben zoolang er wolken zijn. Maar moest hij ondanks alles toch begeven, ons leed zou maar door iets aan het luwen worden gebracht en dat ware door de zalige vaststelling dat hij op uwe retrograde knikkers terecht kwam.
Men ziet een geschenk verschilt hemelsbreed naar den persoon dien ’t heeft geschonken. Een kwezeltje kan niet schuwer zijn voor een kus van den droes, als de mannen van de Cité voor dat boeren geschenk.

Medio oktober moeien de scribenten van de Antwerpse Belgicistische Le Neptune zich met een artikelenreeks onder de veelzeggende kop “À propos de l’éléphantiasis du Boerenbond”. Ze halen er Franse architecten bij om het idee ‘wolkenkrabber in oude stadswijk’ af te schieten. Eén van de buitenlandse schutters is Auguste Perret, die weliswaar in Elsene geboren is maar in Frankrijk een dikke loopbaan krijgt als goochelaar met gewapend beton en, vreemd genoeg, ook als architect, tussen 1942 en 1952, van een 104 meter hoge toren in Amiens, op een boogscheut van de wereldberoemde kathedraal aldaar. Hij vindt dus jaren later dat het idee ‘wolkenkrabber in oude stadswijk’ nog zo slecht niet is.

Burgemeester Van Cauwelaert wordt niet gelukkiger van al die persheisa, voelt de bui van een onomkeerbare negatieve stemming hangen en gebruikt dan maar een klassieke truc: hij benoemt een adviescommissie om de lont uit het kruitvat te trekken. De leden zijn schoon volk met hopen adelbrieven: Victor Horta, Henri Van de Velde en Hendrik Petrus Berlage. Zij krijgen (nog eens) een nieuw ontwerp voorgeschoteld. Na weer heel wat gesleutel en geknutsel komt de commissie op 14 december 1928 tot een consensus in hun gunstig gezind rapport. Eindelijk. 
De compromistoren zal bestaan uit een hoofdbalk van 24 verdiepingen plus een waterreservoir, met kleine broers van negen verdiepingen aan weerszijden. En dan moet het opeens snel gaan. De bank is immers bang dat in de buurt nog andere kantoor- en woongebouwen opgetrokken worden, die het vet van de soep scheppen of een overaanbod creëren, zodat de huurprijzen kelderen. Dus wordt de opdracht gegeven aan de aannemer om in februari 1929 met de graafwerken te starten. Zonder bouwvergunning? Ja, zonder bouwvergunning.
In maart 1929 wordt de toren van 1928 immers nog eens hertekend en pas op 14 februari 1930 valt de bouwtoelating in de bus.

 

De eerste wolkenkrabber van Europa krijgt een staalskelet, dat met witte kalksteen bekleed wordt. Het geraamte wordt door een Duitse firma in nauwelijks 4 maanden (oktober 1929 – februari 1930) gemonteerd op de fundering, zijnde een massieve betonplaat van wel twee meter dik. De architecten, die geen ervaring met hoogbouw hebben en dus veiligheidshalve veel te sterk ontwerpen, betalen hiermee de premie voor hun levensverzekering.
Op 1 april 1930 koppen de stoute blauwen van De Nieuwe Gazet op hun eerste pagina: “Paniek op de Schoenmarkt. De ‘Boerentoren’ in den grond gezakt. Een verschrikkelijk schouwspel. Iedereen op de vlucht. Gelukkig geen slachtoffers.” Een bijgewerkte foto van het stalen skelet, dat er bij hangt als de toren van Pisa in mindere dagen, moet het verhaal bevestigen. Honderden lichtgelovige Antwerpenaren lopen in de aprilvisval en komen kijken.

Het gebouw wordt opgeleverd in maart 1932, ruim drie jaar na de start van de premature graafwerken. De Boerentoren heeft dus niet kunnen paraderen tijdens de Wereldtentoonstelling van 1930 maar blijft tot 1950 de hoogste woontoren in Europa. Inderdaad, in de eerste decennia neemt de bank maar een klein deel van de toren voor zichzelf of voor de verhuur als kantoor aan derden. Het leeuwendeel van de oppervlakte gaat naar appartementen. Het gebouw huisvest in zijn glorieuze beginjaren ook nog winkels op het gelijkvloers, een Duitse Bierstübe met kegelbaan in de kelder, een Chinees theesalon op de eerste verdieping, een café met dakterras op de tiende verdieping, een panoramazaal met huurverrekijkers. Het wonen is er aangenaam dankzij de luxe van een lift, van centrale verwarming en van autonome electriciteitsproductie. De Boerentoren wordt bewoond tot 1968.

 

De Kredietbank wordt eigenaar in 1965.
Toeval of niet, rond die tijd duiken stemmen op om de toren te vervangen door een andere eigentijdse toren. Dit is buiten de Antwerpenaren gerekend, die nu wél verknocht blijken te zijn aan deze ex-aanslag op de kathedraal en hun stem laten horen. Het feit dat de nieuwbouwplannen onhaalbaar blijken zal ook wel een argument geweest zijn om de Boerentoren in zijn huidige vorm te behouden.
Onder leiding van architect Léon Stynen, die maar al te graag zijn eigen toren zou ontwerpen, wordt niet meer dan een zware renovatie uitgevoerd om de lokettenzaal te moderniseren (1969-1971).
De Boerentoren wordt als monument geklasseerd in 1981. Terwijl de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen nog protesteerde bij de geboorte, worden 50 jaar later zonden vergeven of fouten toegegeven.

GERELATEERDE DOSSIERS

GERELATEERDE ARTIKELS