Doorzoek volledige site
10 december 2020

Keek Vlaanderen ooit naar Nederland als het op architectuur aankwam, nu is het andersom. Vier lessen

Standaertsite in Gent, ontworpen door Carton123 architecten, murmuur architecten en AE-architecten Illustratie | Petra Decouttere
Het Predikheren in Mechelen, ontworpen door Korteknie Stuhlmacher Architecten en Callebaut Architecten Illustratie | Luuk Kramer
Het Provinciehuis in Antwerpen, ontworpen door Xaveer De Geyter Architectenbureau Illustratie | Provincie Antwerpen

Waar Nederland vroeger het gidsland was op vlak van architectuur, zijn de rollen vandaag omgedraaid. Dat schrijft Kirsten Hannema in De Volkskrant na het lezen van het Architectuurboek Vlaanderen. In vier lessen toont ze aan waarin Vlaanderen voorop loopt. Dat België 'het lelijkste land ter wereld' is, zoals Renaat Braem het omschreef, gaat voor de Nederlandse alvast niet meer op. 

Dit artikel is eerder verschenen in De Volkskrant. Architectura.be kreeg expliciet toestemming van de auteur om dit hier te publiceren. 

'Het lelijkste land ter wereld’, zo beschreef architect Renaat Braem zijn thuisland België in zijn gelijknamige boek uit 1968. Lintdorpen van huizen met rolluiken voor de ramen, snelwegen vol gaten, geflankeerd door industriehallen; dat is het beeld dat nog steeds leeft van de architectuur bij onze zuiderburen. Maar niets is minder waar, zo blijkt uit het nieuwste Architectuurjaarboek Vlaanderen.

Het idee voor wat in 1994 begon als jaarboek is gekopieerd naar Nederlands voorbeeld, net als het Vlaams Architectuurinstituut (dat het boek uitgeeft) en de Vlaams Bouwmeester die Open Oproepen – ontwerpprijsvragen voor publieke projecten – organiseert. Vlaanderen zag hoe Nederland met deze ‘instrumenten’ een bloeiend architectuurklimaat wist te creëren, waarin een nieuwe generatie architecten, onder de naam Superdutch, kon doorbreken. Inmiddels zijn de rollen omgedraaid. ‘Vlaanderen loopt op punten voor’, schrijft de Nederlandse architectuurhistoricus Wilma Kempinga in haar essay over scholenbouw.

Gebouwen vertellen over onze geschiedenis en waarden, schrijft de minister-president van de Vlaamse regering Jan Jambon in het voorwoord. Daarop kunnen we voortbouwen, door de kennis die in stenen besloten ligt over te dragen: ‘ook dat is de verdienste van het Architectuurboek’. Aan de hand van de beste gebouwen en essays die de laatste trends duiden, toont de redactie waar het land ruimtelijk staat, vanuit de gedachte dat goed voorbeeld goed doet volgen. Vier voorbeelden uitgelicht.
 

Begin met de buitenruimte

Ingetogen materialen, zorgvuldige details, monumentale uitstraling, dat zijn de ingrediënten van de Vlaamse basisschool, schrijft Wilma Kempinga. Deze ‘kalme architectuur’ komt volgens haar voort uit het feit dat Vlaamse architecten doorgaans rond een besloten buitenruimte – geïnspireerd op het kloosterhof – ontwerpen, daar waar Nederlandse ontwerpers de klaslokalen meestal tot een (liefst opvallend) object kneden. Het idee van een gebouw met verborgen binnenwereld zie je ook bij de Standaertsite in Gent. Decennialang stond op deze plek de doe-het-zelfwinkel van de familie Standaert, die de rol van dorpspomp vervulde, tot de zaak door de komst van bouwmarkten failliet ging. De gemeente kocht het terrein, een team van ontwerpers heeft het in samenspraak met bewoners omgetoverd tot een ontmoetingsplek. Het asfalt haalden de architecten weg zodat er gras kan groeien, klimop hecht zich aan de pergola van hergebruikte betonnen spanten. De voormalige houtzagerij werd een paviljoen met zitbanken aan de gevel en een multifunctionele ruimte onder de kap.
 

Combineer hoogbouw met parken

De uitzondering op de regel dat Vlaamse architecten terughoudend zijn met grote gebaren is het Provinciehuis in Antwerpen, een geknikte toren opgebouwd uit driehoekige ramen en gevelelementen. Architect Xaveer de Geyter koos deze vorm niet toevallig; de driehoek is het logo van de provincie. Hij is een leerling van de Nederlandse architect Rem Koolhaas, wiens bureau OMA toevallig dit jaar ook een toren van gestapelde driehoeken opleverde: het Amsterdamse RAI-hotel. Beide gebouwen hebben een sterke iconische werking, maar het Provinciehuis biedt meer. Door de kantoor- en vergaderruimten compact te organiseren, is ruimte vrijgespeeld voor een nieuw park. Daaraan ligt de publiek toegankelijke lobby met expositieruimte voor de kunstcollectie van de provincie.
 

Stel circulair bouwen centraal

Aan het Vergotedok in de haven van Brussel is tussen een gigantische schroothoop en de stad een imposante staalconstructie verrezen, bestaand uit een ‘origamidak’ dat rust op ranke kolommen. Dit is het Bouwmaterialendorp, ontworpen door TETRA architecten, een gigantisch ‘milieuplein’ waar tweedehands bouwmaterialen worden verzameld, geordend en gerecycled. Het is een vorm van bedrijvigheid die steden als Rotterdam en Amsterdam richting de randen schuift, om de achtergebleven pakhuizen te verbouwen tot lofts en hippe koffiebars. Brussel stapt van het geijkte gentrificatiepad af; op deze centrale zichtlocatie toont de stad hoe de maakindustrie kan bijdragen aan de overgang van een lineaire naar een circulaire economie. Een voorheen veronachtzaamd gebouwtype presenteert zichzelf als een industriële kathedraal van de 21ste eeuw.


Denk voorbij oud en nieuw

In Vlaanderen zie je, net als in Nederland, een verschuiving in de architectuuropgaven van uitbreiden naar stedelijke verdichting en van nieuwbouw naar hergebruik. Dat vraagt om een andere benadering, voorbij de standaard renovatiemethoden: het gebouw in ‘oorspronkelijke’ staat terugbrengen dan wel een glazen doos ernaast bouwen die duidelijk maakt: dat is het monument, dit is nieuw.

Met de herbestemming van het Predikherenklooster tot de Stadsbibliotheek van Mechelen toont het Nederlandse bureau Korteknie Stuhlmacher hoeveel meer mogelijkheden er tussen die twee uitersten zijn. Door plafonds bloot te leggen, behang van muren te krabben en de ontstane ‘ruïnes’ te laten voor wat ze zijn, maken de ontwerpers de geschiedenis van het veelvuldig verbouwde complex voelbaar. Met de moderne houten lambrisering en zitvensterbanken hebben ze de bouwdelen en -periodes mooi verbonden. Zo is een reeks bijzondere ruimtes en sferen ontstaan en tegelijk een ‘bibliotheek’ van renovatiestrategieën, van restauratie en conservatie tot historiseren en hedendaags ingrijpen.